ECLI:NL:RBARN:2009:BM3210
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.C.E. Ackermans-Wijn
- J.H.C. van Ginhoven
- C.A. van Beuningen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake gezag en omgang ondanks buitenlandse procedure
De rechtbank Arnhem behandelt een geschil over het gezag en omgangsrecht van een minderjarige waarbij de moeder eenhoofdig gezag verzoekt en het omgangsrecht van de vader wil beëindigen. De moeder heeft haar verzoek op 22 februari 2008 bij de Nederlandse rechter ingediend, terwijl de vader pas op 23 mei 2008 een procedure in de Verenigde Staten startte. De rechtbank bevestigt haar eerdere oordeel dat zij internationaal bevoegd is op grond van artikel 8 Brussel Pro II-bis, omdat het kind zijn feitelijke verblijfplaats in Nederland heeft.
De vader voerde aan dat de Nederlandse rechter onbevoegd is wegens litispendentie volgens artikel 12 Rechtsvordering Pro, omdat er een procedure in de VS zou lopen sinds 2001. De rechtbank oordeelt dat op het moment van het Nederlandse verzoek geen procedure in de VS aanhangig was, en dat de Amerikaanse procedure pas later werd gestart. De rechtbank acht de overgelegde stukken van de vader onvoldoende om aan te nemen dat de Amerikaanse procedure nog aanhangig was op het moment van het Nederlandse verzoek.
Verder overweegt de rechtbank dat zij bevoegd is om terug te komen op haar eerdere beslissing dat zij zich onbevoegd moest verklaren, mede op grond van een arrest van de Hoge Raad. De rechtbank verklaart zich bevoegd, laat hoger beroep toe en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissingen, waarbij partijen de afloop van de Amerikaanse procedure schriftelijk dienen te melden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst het verweer van litispendentie af.