ECLI:NL:RBARN:2010:BL7610
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing schuldsaneringsregeling na tussentijdse beëindiging wegens nieuwe huurschuld
Verzoekster heeft eerder een schuldsaneringsregeling gekregen, die tussentijds werd beëindigd vanwege het ontstaan van een nieuwe huurschuld van €10.450,63. Deze huurovereenkomst was ten tijde van de toelating nog niet beëindigd, maar is later door de bewindvoerder opgezegd met inachtneming van de opzegtermijn.
De rechtbank oordeelt dat de nieuwe huurschuld niet aan verzoekster kan worden toegerekend en dat daarmee de tenzij-bepaling van artikel 288 lid 2 sub d Faillissementswet Pro van toepassing is. Dit betekent dat het nieuwe verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling niet kan worden afgewezen op grond van de eerdere regeling die minder dan tien jaar geleden van toepassing was.
De rechtbank wijst het verzoek toe, benoemt een rechter-commissaris en bewindvoerder, en stelt het salaris van de bewindvoerder vast. Tevens wordt de bewindvoerder gemachtigd om gedurende dertien maanden aan verzoekster gerichte brieven te openen. Het betreft een hoofdinsolventieprocedure conform artikel 3 lid 1 IVO Pro.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toe omdat de nieuwe huurschuld niet aan verzoekster valt toe te rekenen.