ECLI:NL:RBARN:2010:BM2433

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
27 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/4646
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:77 AwbGemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bezwaar tegen legesfactuur huwelijk met buitengewoon ambtenaar

Eiser ontving een factuur van €991,10 voor leges in verband met zijn voorgenomen huwelijk op 6 juni 2009, inclusief kosten voor trouwboekje, uittreksel en locatietoeslag. De voltrekking vond plaats door een oom van de echtgenote, een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand uit een andere gemeente, waarbij een Nijmeegse ambtenaar aanwezig was.

Verweerder verklaarde het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk omdat het bezwaar tegen de tariefstelling zou zijn gericht, maar de rechtbank oordeelde dat het bezwaar juist tegen de factuur zelf was gericht. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar.

De rechtbank stelde vast dat de leges in overeenstemming waren met de geldende Legesverordening en dat het feit dat een Nijmeegse ambtenaar aanwezig was, geen reden tot vermindering gaf. Ook de termijn waarbinnen verweerder uitspraak deed en het ontbreken van een afschrift van de factuur bij verweerder deden hieraan niets af.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de leges, terwijl het door eiser betaalde griffierecht werd vergoed. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat geen kosten waren gesteld die voor vergoeding in aanmerking kwamen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het bezwaar ongegrond verklaard en de leges worden gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
registratienummer: AWB 09/4646
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 27 april 2010
inzake
[X], wonende te [Z], eiser,
tegen
de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen, verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Verweerder heeft aan eiser bij factuur van 14 januari 2009 € 991,10 aan leges in rekening gebracht wegens het voorgenomen huwelijk van eiser op 6 juni 2009.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 oktober 2009 het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft daartegen bij brief van 9 november 2009, ontvangen bij de rechtbank op
17 november 2009, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2010 te Arnhem. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].
2. Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.
Op 14 januari 2009 is aan eiser een factuur uitgereikt betreffende leges voor het voorgenomen huwelijk van eiser op 6 juni 2009. Naast kosten voor het trouwboekje (€15,50), uittreksel burgerlijke stand (€ 11,10) en een locatietoeslag (€ 122,50) is tevens € 842 in rekening gebracht voor de voltrekking van het huwelijk op zaterdag 6 juni 2009 om 19.00 uur. Op de factuur is geen rechtsmiddelenverwijzing opgenomen.
Op 6 juni 2009 is het huwelijk van eiser voltrokken. Een oom van de echtgenote van eiser heeft het huwelijk gesloten. Deze oom is buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand in Tilburg en niet ook in de gemeente Nijmegen. Namens de gemeente Nijmegen was een ambtenaar van de burgerlijke stand bij de huwelijksvoltrekking aanwezig.
3. Geschil
In geschil is het antwoord op de vraag of het bezwaar van eiser al dan niet terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Indien eiser moet worden ontvangen in zijn bezwaar is in geschil het antwoord op de vraag of de leges tot een juist bedrag aan eiser in rekening zijn gebracht.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.
4. Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid; bezwaar gericht tegen tariefstelling
Verweerder heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder het bezwaar heeft opgevat als te zijn gericht tegen de tariefstelling in de Legesverordening. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar van eiser niet gericht is tegen de tariefstelling in de Legesverordening, maar tegen de aan hem in rekening gebrachte factuur. Eiser heeft dit ter zitting ook bevestigd. Tegen de legesfactuur is bezwaar en beroep mogelijk. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Reeds hierom dient het beroep van eiser gegrond te worden verklaard.
Verweerder is in de uitspraak op bezwaar gemotiveerd ingegaan op de bezwaren van eiser tegen de legesfactuur. De rechtbank zal zich over die bezwaren dan ook uitspreken en toepassing geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb en bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.
Hoogte leges
De rechtbank stelt voorop dat tussen de hoogte van de geheven leges aan de ene kant en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten aan de andere kant geen rechtstreeks verband is vereist (Hoge Raad 24 december 1997, nr. 32569, LJN AA3345 en Hoge Raad 14 augustus 2009 nr. 43120, LJN BI1943).
De leges die aan eiser in rekening zijn gebracht, zijn in overeenstemming met de tarieven die in de Legesverordening staan. Dit maakt dat de leges niet tot een te hoog bedrag in rekening zijn gebracht. De omstandigheid dat het volgens eiser niet nodig was dat een Nijmeegse ambtenaar van de burgerlijke stand bij de huwelijkssluiting aanwezig was, kan niet leiden tot een vrijstelling of vermindering van de desbetreffende leges omdat de Legesverordening daar geen mogelijkheid toe biedt. Daarbij merkt de rechtbank op dat het haar niet onredelijk voorkomt dat de gemeente Nijmegen, die verantwoordelijk is voor de huwelijks-voltrekkingen, een Nijmeegse ambtenaar van de burgerlijke stand aanwezig heeft laten zijn omdat de betreffende oom geen ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Nijmegen is.
De termijn waarbinnen verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan doet aan de hoogte van in rekening gebrachte leges niets af aangezien de leges worden berekend over een door de gemeente aangeboden en door eiser afgenomen dienst, te weten de voltrekking van een huwelijk. Ook het feit dat verweerder kennelijk niet zelf over een afschrift van de factuur beschikte doet niet af aan het feit dat leges tot een juist bedrag in rekening zijn gebracht.
Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal het bezwaar tegen de legesfactuur ongegrond verklaren. De gegrondverklaring van het beroep betekent dan ook niet dat het bedrag aan in rekening gebrachte leges zal worden verminderd.
5. Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
6. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- verklaart het bezwaar ongegrond en handhaaft de in rekening gebrachte leges;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem, griffier.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op: 27 april 2010
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.