ECLI:NL:RBARN:2010:BM9498

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
9 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
198424
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Uitvoeringswet EBBArt. 17 lid 1 EBB-VerordeningArt. 69 RvArt. 111 lid 2 onder d RvArt. 111 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing Europese betalingsbevelprocedure naar dagvaardingsprocedure

In deze zaak betreft het een Europees betalingsbevel waartegen verweer is gevoerd door de gedaagde partij. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft de zaak op grond van artikel 17 lid 1 van Pro de EBB-Verordening doorverwezen naar de rechtbank Arnhem om de procedure op tegenspraak voort te zetten.

De rechtbank Arnhem past artikel 6 van Pro de Uitvoeringswet EBB toe en zet de procedure om in een dagvaardingsprocedure conform artikel 69 Rv Pro. De eiseres, Spedition Balter GmbH & Co. KG, wordt bevolen een akte te nemen waarin zij de eis, de gronden daarvan, en de verweren van de gedaagde, Expeditiebedrijf Bakker B.V., inclusief de bewijsmiddelen, uiteenzet volgens de eisen van artikel 111 lid 2 onder Pro d en lid 3 Rv.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor het nemen van deze akte, waarna de gedaagde gelegenheid krijgt een conclusie van antwoord te nemen. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en stelt de zaak op 7 juli 2010 op de rol voor het nemen van de akte door Spedition Balter.

De beslissing is gegeven door rechter R.J.B. Boonekamp en is openbaar uitgesproken op 9 juni 2010.

Uitkomst: De zaak wordt verwezen naar de rol voor aanvulling van de eisakte en verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

rolbeslissing
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 198424 / HA ZA 10-599
Rolbeslissing van 9 juni 2010
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
SPEDITION BALTER GMBH & CO. KG,
gevestigd te 56218 Mühlheim-Kärlich, Duitsland
eiseres,
advocaat mr. D.C. Bitter te Roermond,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EXPEDITIEBEDRIJF BAKKER B.V.,
gevestigd te Arnhem,
gedaagde,
advocaat mr. N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem.
Partijen zullen hierna Spedition Balter en Expeditiebedrijf Bakker genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 maart 2010.
2. De beoordeling
2.1. Het gaat in deze zaak om een Europees betalingsbevel waartegen verweer is gevoerd. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft de zaak op de voet van art. 17 lid 1 van Pro de EBB-Vo naar de rechtbank Arnhem verwezen om als procedure op tegenspraak te worden voortgezet. Volgens art. 6 van Pro de Uitvoeringswet EBB is na indiening van een verweerschrift op de voortzetting van de procedure art. 69 Rv Pro van overeenkomstige toepassing. De rechtbank zal de zaak met toepassing van die bepaling thans omzetten in een dagvaardingsprocedure. Het stuk waarmee de procedure is ingeleid behoeft aanvulling. Spedition Balter zal worden bevolen een akte te nemen waarin zij de eis en de gronden daarvan, alsmede de door Expeditiebedrijf Bakker tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor en de bewijsmiddelen waarover zij kan beschikken moet uiteenzetten overeenkomstig het voorschrift van art. 111 lid 2 onder Pro d en art. 111 lid 3 Rv Pro. De akte moet dus voldoen aan de eisen die aan de dagvaarding op dit punt worden gesteld. Oproeping door middel van een exploot van dagvaarding is niet nodig nu zich voor beide partijen reeds een advocaat heeft gesteld. Voor het nemen van een akte zal de zaak naar de rol worden verwezen. Daarna zal Expeditiebedrijf Bakker een conclusie van antwoord kunnen nemen.
2.2 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 juli 2010 voor het nemen van een akte door Spedition Balter in voege als hiervoor vermeld, waarna Expeditiebedrijf Bakker gelegenheid krijgt voor het nemen van een conclusie van antwoord,
3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2010.