ECLI:NL:RBARN:2010:BN2282

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
30 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
159534
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 134 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding vertraagde oplevering bouwblok Mi2 door Woningstichting Barneveld

De Woningstichting Barneveld vorderde schadevergoeding van de gemeente Barneveld wegens vertraging in de oplevering van bouwblok Mi2. In een tussenvonnis van 30 december 2009 oordeelde de rechtbank dat geen schade was geleden door de Woningstichting en dat stukken over bouwblok Mi6 buiten beschouwing moesten blijven omdat hierover geen vordering was ingesteld.

Na een verzoek om pleidooi heeft de Woningstichting haar schade nader toegelicht, maar de rechtbank benadrukte dat dit niet betekent dat eerdere eindbeslissingen herzien kunnen worden zonder bijzondere omstandigheden. Er was geen sprake van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag in de eerdere beslissingen.

De rechtbank concludeerde dat de vorderingen afgewezen moeten worden en veroordeelde de Woningstichting in de proceskosten van de gemeente, begroot op €16.732. Het vonnis werd uitgesproken op 30 juni 2010 door drie rechters.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de Woningstichting af en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 159534 / HA ZA 07-1355
Vonnis in vrijwaring van 30 juni 2010
in de zaak van
de stichting
WONINGSTICHTING BARNEVELD,
gevestigd te Barneveld,
eiseres in vrijwaring,
advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE GEMEENTE BARNEVELD,
zetelend te Barneveld,
gedaagde in vrijwaring,
advocaat mr. J.M.W. Werker te Arnhem.
Partijen zullen hierna de Woningstichting en de gemeente genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 december 2009
- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1. In het tussenvonnis van 30 december 2009 heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat niet kan worden aangenomen dat de Woningstichting schade heeft geleden ten gevolge van de vertraagde oplevering van bouwblok Mi2. Voorts heeft de rechtbank in dat vonnis overwogen dat de Woningstichting weliswaar stukken heeft overgelegd met betrekking tot het bouwblok Mi6, maar dat deze buiten beschouwing moeten blijven omdat de Woningstichting geen schadevergoeding heeft gevorderd met betrekking tot de vertraagde oplevering van bouwblok Mi6. Ook is overwogen dat de stellingen van partijen met betrekking tot de schadebeperkingsplicht van de Woningstichting geen bespreking behoeven. Er was immers na de genoemde beslissingen geen sprake meer van te vergoeden schade.
2.2. De Woningstichting heeft vervolgens pleidooi gevraagd. Inmiddels is gebleken dat zij ervan uit ging dat de rechtbank na het vonnis van 30 december 2009 nog behoefte had aan bescheiden waaruit de vertraging in de oplevering van bouwblok Mi2 en de daaruit voortgevloeide schade blijken.
2.3. De Woningstichting heeft bij pleidooi naar voren gebracht dat nu de rechtbank haar het pleidooi heeft toegestaan aan haar de mogelijkheid is geboden om haar vordering tot schadevergoeding nader te onderbouwen. Zij heeft in haar pleidooi de door haar gestelde schade nader toegelicht.
2.4. De gemeente heeft in haar pleidooi naar voren gebracht dat zij ervan uit is gegaan dat de procedure niet meer ziet op de vertraging in de oplevering van bouwblok Mi6, en nog slechts op de schade die is geleden ten aanzien van bouwblok Mi2. Verder heeft de gemeente inhoudelijk verweer gevoerd tegen de onderbouwing van de schade.
2.5. Het procesrecht brengt mee dat een partij die daarom verzoekt, de gelegenheid behoort te krijgen haar standpunt nader toe te lichten. Op grond van artikel 134 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering wordt aan partijen desverlangd gelegenheid geboden voor pleidooien voordat de rechter over de zaak beslist. Nu de Woningstichting om pleidooi heeft gevraagd en na de comparitie nog stukken in het geding zijn gebracht, kon het pleidooi haar niet geweigerd worden.
2.6. Dat het pleidooi is toegestaan betekent echter niet dat de Woningstichting ruimte heeft om ondanks door de rechtbank genomen eindbeslissingen de gestelde schade opnieuw aan de orde te stellen. Op dit punt heeft de rechtbank eindbeslissingen genomen waaraan zij in het vervolg van de procedure in beginsel gebonden is.
2.7. Voor een heroverweging van een eindbeslissing is slechts onder bijzondere omstandigheden plaats. De achtergrond daarvan is dat moet worden voorkomen dat de rechtbank op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. De eisen van een goede procesorde brengen evenwel mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing.
2.8. Gesteld noch gebleken is dat de hierboven bedoelde eindbeslissingen zijn gebaseerd op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Voor een heroverweging op de hiervoor genoemde grond is in dit geval dan ook geen plaats.
2.9. Het voorgaande betekent dat de vorderingen, zoals al voortvloeide uit het vonnis van 30 december 2009, moeten worden afgewezen.
2.10. De Woningstichting zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:
- vast recht € 4.732,00
- salaris advocaat 12.000,00 (6,0 punten × tarief € 2.000,00)
Totaal € 16.732,00
3. De beslissing
De rechtbank
3.1. wijst de vorderingen af,
3.2. veroordeelt de Woningstichting in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 16.732,00.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J.D.A. den Tonkelaar, W.H. van Empel en D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2010.
Coll. G.L.