ECLI:NL:RBARN:2010:BN4467
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende feitelijke onderbouwing vennootschap onder firma en aansprakelijkheid gedaagde
Eisers vorderen betaling van gedaagde op grond van de stelling dat gedaagde mede-vennoot was van een vennootschap onder firma (vof) die nooit is opgericht, waardoor hoofdelijk aansprakelijkheid zou gelden. Deze vordering is gebaseerd op een eerder arrest van het Gerechtshof Arnhem in een hoofdzaak tussen andere partijen, maar dit arrest heeft geen gezag van gewijsde in deze vrijwaringszaak.
Gedaagde betwist uitdrukkelijk dat sprake is geweest van een vof of maatschap en dat eisers bevoegd waren namens hem opdrachten te geven. Tijdens de comparitie verklaarde eiser1 slechts dat hij aanspreekpunt was voor de participanten, wat onvoldoende is om de vennootschapsrelatie te onderbouwen.
De rechtbank constateert dat de feitelijke onderbouwing van de stelling dat gedaagde vennoot was, ontbreekt en dat het arrest van het hof niet als bindend kan worden beschouwd in deze zaak. Daarom verwijst de rechtbank de zaak naar de rol om eisers in de gelegenheid te stellen hun vordering nader feitelijk te onderbouwen.
De procedure is aangehouden en verdere beslissingen worden uitgesteld. Het vonnis is gewezen door rechter O. Nijhuis en uitgesproken op 4 augustus 2010.
Uitkomst: Zaak verwezen naar de rol voor nadere feitelijke onderbouwing van de vordering jegens gedaagde; verdere beslissing aangehouden.