ECLI:NL:RBARN:2010:BN9233
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdracht en schadevaststelling in geschil over onrechtmatige overdracht fabriekscomplex
In deze civiele procedure tussen Roomboterfabriek DBB en verschillende entiteiten van Rath & Doodeheefver staat centraal of een brief die verjaring zou stuiten daadwerkelijk door Rath & Doodeheefver B.V. is ontvangen. De rechtbank oordeelt dat Roomboterfabriek DBB niet is geslaagd in het bewijs van ontvangst, waardoor de situatie terugkeert naar de stand van zaken zoals bij het tussenvonnis van april 2009.
De rechtbank draagt Rath & Doodeheefver B.V. op tegenbewijs te leveren dat de resterende koopprijs van ƒ 4.250.000,00 niet is voldaan, ondanks dat in de akte van 6 december 1994 is vermeld dat deze is betaald. Tevens wordt een comparitie van partijen gelast om nadere toelichting te geven over de schade die Rath & Doodeheefver B.V. heeft geleden door de onrechtmatige overdracht van het fabriekscomplex aan Brabant.
De rechtbank overweegt dat de schadeberekening uitgaat van de waarde van het fabriekscomplex op 3 december 2004, verminderd met het reeds betaalde deel van de koopprijs en vermeerderd met rente. De waarde moet objectief worden vastgesteld, waarbij partijen zich nog kunnen uitlaten over taxatierapporten en de benoeming van een deskundige. Ook de vraag of de aflossing van de hypothecaire lening door Brabant op de schade in mindering moet worden gebracht, blijft onderwerp van discussie.
De rechtbank wijst verder op het voordeel dat Rath & Doodeheefver B.V. heeft gehad door het vervallen van hypotheekrentelasten en verwerpt het standpunt van Roomboterfabriek DBB dat geen schade is geleden. Een beroep op matiging wordt afgewezen. Alle verdere beslissingen worden aangehouden en de procedure wordt voortgezet met getuigenverhoren en nadere bewijslevering.
Uitkomst: Bewijsopdracht toegekend en nadere procedure bepaald voor vaststelling schadevergoeding en bewijslevering.