ECLI:NL:RBARN:2010:BO4001
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorschotvordering in afwikkeling huwelijkse voorwaarden met periodiek verrekenbeding
De vrouw en de man zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding. Na hun echtscheiding is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waarbij de vrouw een voorschot van €200.000,- vordert op de verrekenvordering die zij op de man heeft.
De vrouw stelt dat het vermogen van de man tijdens het huwelijk aanzienlijk is toegenomen door niet-uitgekeerde winst uit ondernemingen, die volgens haar voor verrekening in aanmerking komt. De man betwist dit en voert aan dat het vermogen grotendeels bestaat uit aangebracht voorhuwelijks vermogen en autonome waardevermeerdering, waartegen hij bewijs kan leveren.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar vordering zal worden toegewezen, mede gelet op het wettelijk vermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW Pro en het door de man gevoerde tegenbewijs. Het spoedeisend belang wordt niet aangenomen en de vordering wordt afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vordering tot betaling van het voorschot wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en gebrek aan spoedeisend belang.