ECLI:NL:RBARN:2010:BP0965
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Nakoming arbeidsongeschiktheidsverzekering na onterechte beëindiging wegens verzwijging
Eiser heeft in april 2005 een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Ohra. Ohra beëindigde de verzekering op grond van vermeende verzwijging van klachten die eiser sinds 2001 en juni 2005 aan zijn voeten had. Eiser betwist dit en stelt dat hij niet hoefde te melden dat hij bij vermoeidheid zijn voet sleepte en dat hij de klachten in juni 2005 niet relevant achtte.
De rechtbank overweegt dat de wetgeving die Ohra aanvoert (artikel 7:928 BW Pro) niet van toepassing is op deze verzekering, omdat deze vóór de inwerkingtreding van de wet is gesloten. Het beroep wordt daarom beoordeeld aan de hand van het destijds geldende artikel 251 WvK Pro. De rechtbank stelt vast dat eiser de klachten in juni 2005 niet hoefde te melden, omdat hij toen geen verband zag tussen de klachten en zijn eerdere voetproblemen en omdat de klachten aanvankelijk werden behandeld als een schimmelinfectie.
Ook het slepen van de voet bij vermoeidheid sinds 2001 was volgens de rechtbank geen aandoening die eiser hoefde te melden, omdat hij hier geen last van had die hem belemmerde en waarvoor hij geen medische hulp zocht. Ohra heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser bewust informatie heeft achtergehouden.
De rechtbank verklaart voor recht dat Ohra de verzekering onterecht heeft beëindigd en beveelt Ohra om binnen twee maanden de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen en de uitkering te betalen, met een dwangsom bij niet-nakoming. Tevens wordt Ohra veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Ohra is gehouden tot nakoming van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en betaling van de uitkering.