ECLI:NL:RBARN:2011:BP1789
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdracht in civiele procedure over vermeende verduistering door ontslagen werkneemster
De zaak betreft een civiele procedure tussen een drogisterij en haar voormalige werkneemster die op staande voet werd ontslagen wegens het wegnemen van geld en artikelen uit de winkel. De drogisterij vordert betaling van €21.471,33 vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten, stellende dat de werkneemster in de periode van 20 oktober 2003 tot 1 december 2005 deze bedragen heeft verduisterd.
De werkneemster erkent het wegnemen van geld en goederen, maar betwist de omvang en de periode van verduistering. De rechtbank oordeelt dat de door de drogisterij overgelegde specificaties en het strafvonnis onvoldoende bewijs leveren dat de volledige gevorderde som is verduisterd. Er is onduidelijkheid over de herkomst van negatieve kassabedragen en de toerekening aan de werkneemster.
Daarom wordt de drogisterij een bewijsopdracht opgelegd om nader bewijs te leveren, bijvoorbeeld door het overleggen van bewijsstukken of het horen van getuigen. De zaak wordt aangehouden tot de volgende rolzitting na het leveren van dit bewijs. Indien het bewijs slaagt, is de vordering toewijsbaar; bij falen wordt de vordering afgewezen.
Uitkomst: Bewijsopdracht opgelegd aan eisers wegens onvoldoende bewijs, zaak aangehouden voor nadere bewijslevering.