ECLI:NL:RBARN:2011:BP2180

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
20 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
208720
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:259 BWArt. 1:260 BWArt. 1:261 BWArt. 1:263a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid moeder in zelfstandig verzoek omgangsregeling na uithuisplaatsing minderjarigen

De minderjarige kinderen zijn uithuis geplaatst en de stichting heeft een schriftelijke aanwijzing gegeven met een bezoekregeling tussen de moeder en de minderjarigen. De moeder heeft na het verstrijken van de bezwaarperiode een zelfstandig verzoek tot omgangsregeling ingediend. De rechtbank oordeelt dat een dergelijk zelfstandig verzoek niet past binnen het wettelijke kader, dat voorziet in bezwaar tegen een aanwijzing of verzoek tot intrekking of vervallenverklaring daarvan.

De moeder had binnen twee weken na de aanwijzing bezwaar kunnen maken, maar heeft dit niet gedaan. Ook heeft zij geen verzoek tot intrekking of vervallenverklaring van de aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden ingediend. De termijn waarover de aanwijzing liep, is bovendien verstreken. Daarom wordt de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

De rechtbank merkt op dat de stichting een nieuw verzoek tot wijziging van de omgangsregeling heeft ingediend, waartegen de moeder bezwaar kan maken. De uitspraak is gedaan door rechter C.G. Peper op 20 januari 2011 in het openbaar, na behandeling van het verzoek en het horen van partijen en de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar zelfstandig verzoek tot omgangsregeling met de minderjarigen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ARNHEM
Sector Familie en Jeugd
Zaakgegevens: [zaaknummer]
Datum uitspraak: 20 januari 2011
beschikking
in de zaak van
[naam moeder] (nader te noemen: de moeder),
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel te Oss
tegen
WILLIAM SCHRIKKER STG. JEUGDBESCH. EN -RECLASSERING
gevestigd te Amsterdam Zuidoost, (hierna te noemen: de stichting)
Belanghebbende:
- de heer [naam vader], (nader te noemen: de vader)
wonende te [adres].
Het verloop van de procedure
Gezien de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 23 november 2010;
- de brief met bijlage van mr. I.M.F. Obers, gedateerd 09 december 2010;
- de brief met bijlage van mr. I.M.F. Obers, gedateerd 10 december 2010.
Gehoord ter zitting van 23 december 2010:
- de moeder, bijgestaan door mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel;
- de heer R. Eitens, namens de stichting;
- [de vader], bijgestaan door mr. I.M.F. Obers;
- mevrouw J.M. Hermsen, als zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad).
De minderjarige [naam minderjarige1] heeft zijn mening schriftelijk aan de kinderrechter kenbaar
gemaakt.
De feiten
Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren de minderjarigen:
- [minderjarige1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];
- [minderjarige2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].
Bij echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 13 oktober 2005 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 03 november 2005 in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Nijmegen ingeschreven, waardoor het huwelijk van de ouders is ontbonden.
Bij voornoemde beschikking is geen voorziening getroffen omtrent het gezag, zodat de ouders gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag. Voorts is de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder vastgesteld.
Bij beschikking van 24 november 2005 is een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de voornoemde minderjarigen, inhoudende dat de minderjarigen elke week de zaterdag of zondag van 10:00 uur tot 18:00 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader de minderjarigen haalt en brengt.
Bij beschikking van 13 juli 2010 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 18 juli 2011. De kinderrechter heeft bij voornoemde beschikking tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een AWBZ- voorziening verlengd tot 18 juli 2011.
De stichting heeft aan de moeder d.d. 1 oktober 2010 een schriftelijke aanwijzing gegeven inhoudende een bezoekregeling tussen haar en de minderjarigen [minderjarige2] en [naam minderjarige1] tot en met 12 januari 2010.
Het verzoek
De moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de moeder gerechtigd is tot omgang met de minderjarigen gedurende de zaterdag van 12:00 uur tot 20:00 uur bij haar thuis, zonder toezicht.
De beoordeling
Artikel 1:263a lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in art. 1:261 BW Pro, de stichting voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind kan beperken. Artikel 1:263a lid 2 BW bepaalt dat de beslissing van de stichting geldt als een aanwijzing en dat art. 1:259 BW Pro (vervallenverklaring van een aanwijzing) en artikel 1:260 BW Pro (intrekking van een aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden) van overeenkomstige toepassing zijn.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de kinderrechter gebleken dat de aanwijzing vaststelling bezoekregeling van de stichting dateert van 01 oktober 2010. De moeder is niet binnen de wettelijke termijn van twee weken bij de kinderrechter in beroep gegaan. Gelet op artikel 1:259 lid 3 BW Pro bedraagt de termijn voor het indienen van het verzoek bij de kinderrechter twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden of uitgereikt. De moeder heeft d.d. 23 november 2010 een zelfstandig verzoek voor een omgangsregeling ingediend. Naar het oordeel van de kinderrechter past een dergelijk zelfstandig verzoek niet in stelsel van de wet, nu de hiervoor genoemde bepalingen het kader aangeven van het voorleggen van geschillen aan de kinderrechter. De moeder had na het verstrijken van de genoemde termijn van twee weken, intrekking of vervallenverklaring van de aanwijzing kunnen verzoeken wegens gewijzigde omstandigheden. De moeder heeft deze niet gesteld en de periode waarover de aanwijzing zich uitstrekt is bovendien verstreken. De moeder zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek.
Nu de termijn waarover de aanwijzing de bezoeken regelt verstreken is, ligt het in de rede dat de stichting een nieuwe aanwijzing geeft. De moeder kan hiertegen vervolgens op bovengenoemde wijze bezwaar maken.
.
Het is de kinderrechter ambtshalve bekend dat de stichting op 11 januari 2011 een verzoek heeft ingediend tot wijziging van de omgangsregeling gedurende de ondertoezichtstelling met betrekking tot voornoemde minderjarigen en de vader. Indien van toepassing, kunnen belanghebbenden om een gezamenlijke behandeling verzoeken.
De beslissing
De rechtbank
Verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Peper, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Jbilou als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2011.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.
Zaakgegevens: [zaaknummer] 3