ECLI:NL:RBARN:2011:BP5310
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over naleving en uitvoering van verplaatsingsovereenkomst betonfabriek en bestemmingsplan
BBI exploiteert sinds 1968 een betonfabriek op een locatie die in strijd is met het bestemmingsplan. Partijen sloten in 2005 een overeenkomst waarin is vastgelegd dat BBI uiterlijk 31 december 2010 de betonfabriek moet hebben verwijderd. BBI stelt dat vertraging is veroorzaakt door onvoorziene omstandigheden aan de zijde van de Gemeente, terwijl de Gemeente stelt dat de vertraging aan BBI te wijten is.
BBI vordert in de hoofdzaak onder meer wijziging van de overeenkomst en een verbod voor de Gemeente om uitvoering te geven aan de einddatum, en in het incident een voorlopige voorziening om de Gemeente te verbieden de overeenkomst uit te voeren tot drie maanden na het vonnis in de bodemprocedure. De rechtbank oordeelt dat BBI voldoende belang heeft bij de voorlopige voorziening onder 4.a, maar niet bij de overige voorlopige vorderingen die een definitief karakter dragen.
De kern van het geschil is of de Gemeente kan vasthouden aan de einddatum 31 december 2010. Gezien de tegenstrijdige standpunten en producties is nog niet duidelijk wie verantwoordelijk is voor de vertraging. De rechtbank vindt dat nader onderzoek in de bodemprocedure nodig is en dat BBI de afloop daarvan moet afwachten. Handhavend optreden van de Gemeente betekent niet automatisch het einde van BBI's onderneming, omdat bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstaan.
Daarom wijst de rechtbank de voorlopige voorziening af en verwijst de zaak naar de rol voor verdere behandeling. BBI wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening van BBI af en verwijst de hoofdzaak naar de rol voor verdere behandeling.