ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3613
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Executiegeschil over opeisbaarheid en misbruik executiebevoegdheid bij notariële akte geldlening
In deze zaak stond een executiegeschil centraal over de opeisbaarheid van een vordering voortvloeiend uit een notariële akte van 31 maart 2009, waarin een geldlening was vastgelegd na de verkoop van aandelen. De eiseres, een besloten vennootschap, betwistte dat de vordering van de gedaagde opeisbaar was, mede vanwege een fusie die had plaatsgevonden binnen haar ondernemingen.
De rechtbank stelde vast dat de grosse van de notariële akte een executoriale titel is en dat uit de akte voldoende blijkt dat de vordering opeisbaar is geworden. De gedaagde beriep zich op clausules in de akte die tussentijdse opeisbaarheid mogelijk maken bij fusies en ingrijpende wijzigingen in de bedrijfsuitoefening. De rechtbank oordeelde dat de interne fusie en herstructurering van de ondernemingen van eiseres aan deze voorwaarden voldoen, waardoor de vordering direct opeisbaar is.
Verder werd onderzocht of de gedaagde misbruik maakte van zijn executiebevoegdheid door de akte te executeren. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de gedaagde geen redelijk belang had bij executie, zodat er geen grond was voor schorsing van de executie. De vordering van eiseres werd daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de executie wordt afgewezen en de executie mag worden voortgezet.