ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3913

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
29 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
676555 - CV EXPL 10-2705
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:94 BWArt. 3:97 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cessie toekomstige vordering wegens onbekende schuldenaar

In deze civiele zaak stond de rechtsgeldigheid van een cessie van toekomstige vorderingen centraal. Lindorff had een akte van cessie opgesteld om toekomstige vorderingen van T-Mobile op klanten over te dragen, waaronder die van de gedaagde partij. De cessie was echter opgemaakt voordat de gedaagde partij als schuldenaar bekend was.

De rechtbank overwoog dat voor een rechtsgeldige cessie van vorderingen op naam een akte vereist is en mededeling aan de schuldenaar. Omdat de schuldenaar ten tijde van de cessie nog niet bekend was, kon de cessie niet rechtsgeldig zijn. Hierdoor was geen vorderingsrecht ontstaan jegens de gedaagde partij.

Lindorff stelde zich op het standpunt dat de cessie rechtsgeldig was op grond van artikelen 3:94 lid 1 en 3:97 BW en dat de overdracht ook toekomstige vorderingen omvatte. De rechtbank verwierp dit en stelde dat cessie van toekomstige vorderingen beperkt is tot gevallen waarin de schuldenaar bekend is bij het opmaken van de akte.

De vordering van Lindorff werd afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt de strikte voorwaarden voor cessie van toekomstige vorderingen en benadrukt het belang van bekendheid van de schuldenaar bij het sluiten van de cessie.

Uitkomst: De vordering van Lindorff wordt afgewezen wegens niet-rechtsgeldige cessie van toekomstige vordering.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector kanton
Locatie Nijmegen
zaakgegevens 676555 \ CV EXPL 10-2705 \ 303/aep
uitspraak van 29 april 2011
vonnis
in de zaak van
de besloten vennootschap Lindorff Purchase B.V., voorheen genaamd Transfair Purchase B.V.
gevestigd te Zwolle
eisende partij
gemachtigde M.G. de Jong
tegen
[gedaagde partij]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
gemachtigde mr. H.A. Schenke
Partijen worden hierna Lindorff en [gedaagde partij] genoemd.
1. De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 januari 2011;
- de akte houdende uitlaten cessie van Lindorff;
- de antwoordakte, met productie, van [gedaagde partij].
2. De verdere beoordeling van het geschil
2.1. De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 28 januari 2011.
Lindorff is bij dat tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om haar standpunt, inhoudende dat sprake is van een rechtsgeldige cessie, nader toe te lichten met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3:94 en 3:97 Burgerlijk Wetboek (BW).
2.2. Lindorff heeft haar standpunt vervolgens als volgt toegelicht. Er is volgens haar geen sprake van stille cessie als bedoeld in artikel 3:94 lid 3 BW Pro. Het gaat om overdracht van toekomstige vorderingen van nog niet bestaande rechtsverhoudingen in overeenstemming met de artikelen 3:97 en 3:94 lid 1 BW. Aan de vereisten voor een rechtsgeldige cessie is voldaan, omdat een akte van cessie is opgemaakt en mededeling van de cessie is gedaan aan [gedaagde partij]. De overdracht van toekomstige vorderingen is bewust niet beperkt tot toekomstige vorderingen uit reeds bestaande rechtsverhoudingen, zodat ook vorderingen die voortvloeien uit overeenkomsten die in de toekomst met klanten worden aangegaan worden overgedragen. Daarmee wordt voorkomen dat Lindorff en T-Mobile telkens opnieuw een overeenkomst en akte van cessie moeten opmaken om vorderingen die T-Mobile op klanten verkrijgt aan Lindorff over te dragen, aldus nog steeds Lindorff.
2.3. De kantonrechter overweegt als volgt.
Lindorff grondt haar vordering nadrukkelijk niet op artikel 3:94 lid 3 BW Pro, waarin de stille cessie is geregeld, en heeft daartoe dan ook geen rechtsfeiten aangevoerd. Of sprake is van stille cessie hoeft dus niet te worden beoordeeld.
Lindorff stelt zich op het standpunt dat sprake is van een rechtsgeldige cessie op de voet van de artikelen 3:94 lid 1 juncto 3:97 BW. [gedaagde partij] heeft zich daartegen verweerd.
2.4. Toekomstige goederen, waaronder vorderingen op naam waar het hier om gaat, kunnen op grond van artikel 3:97 BW Pro bij voorbaat worden geleverd. Uitzonderingen op deze regel worden hier buiten beschouwing gelaten, omdat die in deze zaak niet van toepassing zijn. Voor levering van vorderingen op naam op de voet van artikel 3:94 lid 1 BW Pro is een daartoe bestemde akte vereist, alsmede mededeling van de inhoud van die akte tot levering aan de schuldenaar van de geleverde vordering. De omstandigheid dat de overdracht van de vordering pas is voltooid als de akte is opgemaakt en de mededeling van de inhoud van die akte aan de schuldenaar is gedaan, leidt ertoe dat cessie van toekomstige vorderingen beperkt is tot die gevallen waarin de toekomstige schuldenaar reeds bekend is bij het opmaken van de akte van cessie.
In het geval van [gedaagde partij] is de akte van cessie opgemaakt vóórdat hij de overeenkomst met T-Mobile waaruit de vordering voortvloeit sloot. Hij was dus op dat moment niet bekend als schuldenaar.
2.5. Uit het voorgaande volgt reeds dat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie op de voet van artikel 3:94 lid 1 BW Pro juncto artikel 3:97 BW Pro. Of aan de overige vereisten voor rechtsgeldige cessie is voldaan, zoals het vereiste van voldoende bepaalbaarheid van de vordering in de akte van cessie, hoeft daarom niet meer te worden beoordeeld.
2.6. Lindorff heeft dus geen vorderingsrecht jegens [gedaagde partij] uit hoofde van de met T-Mobile gesloten overeenkomst. De vordering moet dan ook worden afgewezen.
Lindorff wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.
3. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vordering af;
veroordeelt Lindorff in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde partij] begroot op € 250,- aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2011.