ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3996

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
27 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
698316 - CV EXPL 10-4127
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst Volkswagen Privé Plan en opeisbaarheid restant kredietbedrag na ingebrekestelling

Op 9 juli 2008 sloten Volkswagen en de gedaagde een overeenkomst onder de naam ‘Volkswagen Privé Plan’ waarbij de gedaagde een Volkswagen Passat in huurkoop kreeg met betaling in 49 termijnen. De overeenkomst werd beëindigd door Volkswagen op 31 mei 2010 vanwege het uitbranden van de auto en het niet voldoen van maandelijkse termijnen door de gedaagde.

Volkswagen vorderde betaling van het resterende kredietbedrag van € 37.919,97 vermeerderd met contractuele rente vanaf 19 juni 2010. De gedaagde erkende de overeenkomst maar betwistte ontvangst van ingebrekestellingen en de hoogte van de vordering.

De kantonrechter oordeelde dat artikel 6 van Pro de algemene voorwaarden geen grondslag biedt voor de vordering, maar dat artikel 2 wel Pro bepaalt dat het resterende kredietbedrag opeisbaar wordt na twee maanden achterstallige betaling en ingebrekestelling. Omdat de dagvaarding geldt als eerste ingebrekestelling en de gedaagde meer dan twee termijnen niet betaalde, werd het restant opeisbaar.

De gevorderde bedragen werden voldoende onderbouwd en niet betwist, met uitzondering van een klein bedrag aan rente dat werd afgewezen. De buitengerechtelijke kosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van € 36.687,28 plus rente vanaf 14 juli 2010 en in de proceskosten.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 36.687,28 plus contractuele rente vanaf 14 juli 2010 en in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector kanton
Locatie Tiel
zaakgegevens 698316 \ CV EXPL 10-4127 \ MB\392\mvl
uitspraak van 27 april 2011
vonnis
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht Volkswagen Bank GmbH
gevestigd te Amersfoort
eisende partij
gemachtigde BvCM B.V.
tegen
[gedaagde partij]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
procederend in persoon (tot 14 maart 2011: mr. H.E. Brink)
Partijen worden hierna Volkswagen en [gedaagde partij] genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 juli 2010 met producties
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek met een productie
- de conclusie van dupliek.
2. De feiten
2.1. Tussen Volkswagen en [gedaagde partij] is op 9 juli 2008 een overeenkomst genaamd ‘Volkswagen Privé Plan’ tot stand gekomen. Op grond van de overeenkomst is door Volkswagen aan [gedaagde partij] een Volkswagen Passat 2.0 met kenteken [kenteken] geleverd (hierna: ‘de auto’).
2.2. Overeengekomen is dat [gedaagde partij] de auto zou betalen in 49 termijnen. Met ingang van 1 september 2008 zou [gedaagde partij] 48 maandelijkse termijnen van € 803,20 betalen en op 1 augustus 2012 één termijn van € 17.627,20.
2.3. Op de overeenkomst zijn de door Volkswagen gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing. Artikel 6 van Pro de algemene voorwaarden luidt, voor zover hier van belang:
Op alle vorderingen tot vergoeding van het object ontstaat van rechtswege een pandrecht ten gunste van Kredietgever, indien het object teniet is gegaan.
2.4. Artikel 12 van Pro de algemene voorwaarden luidt, voor zover hier van belang:
Het door Cliënt verschuldigde is ineens opeisbaar, indien:
a. Cliënt gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag en, na ingebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de volledige nakoming van zijn verplichtingen;
3. De vordering en het verweer
3.1. Volkswagen vordert veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling aan Volkswagen van een bedrag van € 37.919,97, waarvan een bedrag van € 36.729,97 te vermeerderen met de contractuele rente (van 16% per jaar) vanaf 19 juni 2010. Voorts vordert Volkswagen veroordeling van [gedaagde partij] in de kosten van deze procedure.
3.2. Volkswagen legt aan haar vordering ten grondslag de stelling dat [gedaagde partij] het resterende kredietbedrag dient te voldoen. Volkswagen stelt dat zij de overeenkomst per 31 mei 2010 heeft beëindigd omdat de auto is uitgebrand en [gedaagde partij] de verzekeringsuitkering terzake heeft behouden en voorts omdat [gedaagde partij] de verschuldigde maandelijkse termijnen niet voldeed. Volkswagen stelt dat het restant van het kredietbedrag ineens opeisbaar is geworden.
3.3. [gedaagde partij] erkent het bestaan van de overeenkomst. [gedaagde partij] betwist echter dat hij de verschillende beweerdelijk door Volkswagen aan hem verzonden brieven heeft ontvangen. Voorts betwist [gedaagde partij] de hoogte van de vordering.
4. De beoordeling
4.1. Artikel 6 van Pro de algemene voorwaarden biedt, anders dan Volkswagen – naar de kantonrechter begrijpt primair – stelt, geen grondslag voor de onderhavige vordering op [gedaagde partij]. Artikel 6 bepaalt Pro immers niet dat de resterende termijnen na het tenietgaan van de auto ineens opeisbaar worden, doch dat Volkswagen een pandrecht heeft op de – zo is onweersproken – door de verzekeraar aan [gedaagde partij] gedane schade-uitkering. Het pandrecht is door Volkswagen echter niet aan haar vordering ten grondslag gelegd, terwijl voorts, zonder nadere toelichting die door Volkwagen niet is gegeven, niet aannemelijk is dat de schadeuitkering gelijk is aan het resterende kredietbedrag dat Volkswagen thans vordert.
4.2. Subsidiair beroept Volkswagen zich op artikel 2 van Pro de algemene voorwaarden. Op grond daarvan is het resterende kredietbedrag ineens opeisbaar indien de betaling van tenminste twee maandelijkse termijnen, na ingebrekestelling door Volkswagen, uitblijft.
4.3. Onweersproken is dat [gedaagde partij] een aantal, in ieder geval meer dan twee, opeenvolgende maandtermijnen niet heeft voldaan. Daardoor is het restant van het verschuldigde kredietbedrag na de datum waartegen is gedagvaard (14 juli 2010), nu de dagvaarding heeft te gelden als eerste ingebrekestelling, ineens opeisbaar geworden. Dat de vordering op een eerdere datum opeisbaar is geworden doordat [gedaagde partij] in gebreke is gesteld, is onvoldoende onderbouwd. [gedaagde partij] heeft immers gemotiveerd betwist dat hij de door Volkswagen overgelegde brieven, die een ingebrekestelling inhouden, heeft ontvangen, zodat niet van een ingebrekestelling vóór de datum van dagvaarding kan worden uitgegaan.
4.4. Volkswagen heeft het door haar gevorderde bedrag door middel van de opstelling in de conclusie van repliek voldoende onderbouwd. Die opstelling is door [gedaagde partij] niet betwist, zodat daarvan wordt uitgegaan. Op het door Volkswagen opgevoerde totaalbedrag wordt in mindering gebracht het daarin opgenomen bedrag aan rente (ad € 42,69), omdat gezien het vorenstaande de vordering eerst op de datum waartegen is gedagvaard opeisbaar is geworden. Per saldo resteert een bedrag van € 36.687,28, te vermeerderen met de onbetwiste contractuele rente vanaf de dag van dagvaarding.
4.5. De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat ze onvoldoende zijn onderbouwd. Door Volkswagen is immers slechts een enkele aanmaning overgelegd, waarvan door [gedaagde partij] is betwist dat hij deze heeft ontvangen.
4.6. [gedaagde partij] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1. veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan Volkswagen van een bedrag van € 36.687,28, te vermeerderen met de contractuele rente van 16% per jaar vanaf de 14 juli 2010 tot de dag van algehele voldoening;
5.2. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Volkswagen begroot op € 98,93 aan dagvaardingskosten, € 208,00 aan griffierecht en € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde;
5.3. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2011.