ECLI:NL:RBARN:2011:BQ6634
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling deelnemingsvrijstelling bij informele kapitaalstorting en verlies op lening aan zustervennootschap
Eiseres, een vennootschap die onroerende zaken verhuurt, had een lening uitstaan bij haar zustervennootschap [F] BV. Deze lening werd in 2001 bij een compromis tussen eiseres en de Belastingdienst door de inspecteur als informeel kapitaal aangemerkt. De kern van het geschil betrof de vraag of het verlies dat eiseres op deze vordering leed, aftrekbaar was op grond van de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 Wet Pro Vpb.
De rechtbank overweegt dat de vordering door de slechte financiële situatie van [F] BV feitelijk niet langer een zakelijke lening was, maar een kapitaalverstrekking. Het compromis legde vast dat deze vordering als informeel kapitaal moest worden behandeld, maar maakte geen expliciete afspraak dat dit als een deelneming in de zin van de Wet Vpb zou gelden. De rechtbank concludeert echter dat partijen met het compromis beoogden de deelnemingsvrijstelling toe te passen op de resultaten van deze informele kapitaalverstrekking.
De rechtbank wijst het beroep van eiseres af voor het verlies geleden op de vordering tot en met 2001 en voor de toename van de vordering vanaf 2003, omdat deze onder de deelnemingsvrijstelling vallen en dus niet aftrekbaar zijn. Voor het in 2002 ontstane deel van de vordering is geen sprake van een dergelijke afspraak, waardoor het verlies daarop wel aftrekbaar is. De aanslag vennootschapsbelasting wordt dienovereenkomstig verminderd.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten en bepaalt zij dat de heffingsrente in dezelfde verhouding als de aanslag moet worden verminderd. De uitspraak is gedaan door de rechtbank Arnhem op 24 mei 2011.
Uitkomst: De rechtbank vermindert de aanslag vennootschapsbelasting tot € 3.500 en verklaart het beroep gegrond voor het verlies op het in 2002 ontstane deel van de lening.