ECLI:NL:RBARN:2011:BQ9153

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
24 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4607
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag woonvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) door gemeente Nijmegen

In deze zaak heeft de Rechtbank Arnhem op 24 mei 2011 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, vertegenwoordigd door mr. B. Vreke, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder. Eiseres had een aanvraag ingediend voor een woonvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), die door verweerder was afgewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres lijdt aan verschillende aandoeningen die haar bewegingsvrijheid beperken, vooral door een onvoldoende verwarmde ruimte in de aanbouw van de woning van haar ouders. Verweerder had de afwijzing van de aanvraag gebaseerd op het argument dat de gevraagde voorziening een renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd betreft, waarvoor geen vergoeding kan worden verstrekt volgens de Verordening maatschappelijke ondersteuning Nijmegen 2009 (Vmo). De rechtbank oordeelde echter dat de geweigerde voorziening niet als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd en dat verweerder niet had onderzocht of de voorziening voor eiseres gebruikelijk was.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dit betekent dat de rechtbank de afwijzing van de aanvraag niet als onterecht beschouwde, maar verweerder wel aansprakelijk stelde voor de proceskosten van eiseres, die zijn begroot op € 874. De rechtbank oordeelde dat eiseres haar beperkingen zelf kan opheffen door voldoende te stoken, en dat de radiator in de aanbouw voldoende capaciteit heeft om de ruimte te verwarmen, mits er voldoende gestookt wordt. De rechtbank concludeerde dat eiseres niet in aanmerking komt voor ondersteuning op grond van de Wmo, omdat zij zelf in staat is om de situatie te verbeteren.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 10/4607
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 24 mei 2011.
inzake
[Eiseres], eiseres,
wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. B. Vreke,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 12 november 2010.
2. Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een woonvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) afgewezen.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 11 april 2011. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door mr. B. Vreke. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W. Bloemena.
3. Overwegingen
De rechtbank gaat gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres lijdt aan verschillende aandoeningen die er, voor zover hier van belang, toe leiden dat het vaatstelsel in de armen en benen van eiseres onderontwikkeld zijn, waardoor deze betrekkelijk koud blijven. Een verblijf in een koude ruimte leidt tot toegenomen stijfheid, waardoor eiseres (meer) problemen heeft om zich in en om de woning te bewegen. Om deze problemen te voorkomen moet de ruimte te allen tijde op ten minste 18° Celsius verwarmd worden. De ruimte waar eiseres slaapt, speelt en verzorgd wordt, is gelegen in de aanbouw aan de woning van de ouders van eiseres. De aanwezige radiator, heeft voldoende capaciteit om de aanbouw tot 20° Celsius te verwarmen.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de aanbouw met de daarin reeds aanwezige radiator voldoende verwarmd kan worden, zij het tegen hoge kosten omdat de aanbouw niet geïsoleerd is. De door eiseres gevraagde woonvoorziening strekt daarom ter renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd van de aanbouw. Ingevolge artikel 24, eerste lid en onder g, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Nijmegen 2009 (hierna: Vmo) worden deze kosten niet vergoed in het kader van de Wmo. Verweerder betoogt in het bestreden besluit bovendien dat eiseres de verhuurder kan aanspreken om voor verbetering van de woning zorg te dragen.
Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Eiseres betoogt dat de woning door verweerder en de verhuurder is gerenoveerd en dus voldoet aan de eisen van de tijd, zodat de aanvraag niet daartoe strekt. De woning voldoet niet aan de eisen die daaraan in verband met de beperkingen van eiseres gesteld worden. De aanbouw blijkt ondanks de renovatie te koud te zijn voor eiseres, hetgeen op lange termijn medisch niet verantwoord is. Verweerder had daarom een woonvoorziening behoren toe te kennen, aldus eiseres.
De rechtbank overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres beperkingen ondervindt bij het zich verplaatsen in en om de woning, welke (mede) worden veroorzaakt door verblijf in een onvoldoende verwarmde ruimte. Zoals deze rechtbank eerder heeft overwogen (uitspraken van 14 juli 2009, LJN BJ4762 en 15 juni 2009, LJN BJ1550) vloeit uit artikel 4 van de Wmo voort dat verweerder gehouden is voorzieningen te verstrekken aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer. De aard van de voorziening dient te zijn afgestemd op de door de belanghebbende ondervonden beperkingen waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat door het verstrekken van de voorziening de belanghebbende in een gelijkwaardige positie wordt gebracht als een persoon die deze beperkingen niet ondervindt. Op verweerder rust in dit verband een resultaatsverbintenis. De rechter dient naar vaste jurisprudentie de keuze(n) die de gemeenteraad en verweerder daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren.
Eiseres heeft bij haar aanvraag om ondersteuning op grond van de Wmo om haar beperkingen te compenseren gesteld dat de aanbouw waarin zij slaapt, speelt en wordt verzorgd zou moeten worden geïsoleerd. Ter zitting heeft eiseres daarnaast gesteld dat ook vloerverwarming noodzakelijk is om de gehele ruimte voldoende te verwarmen, omdat de warmte van de radiator de vloer niet bereikt.
Anders dan verweerder daarop heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres ter zitting naar voren gebrachte stelling, dat de radiator de vloer niet kan verwarmen zodat vloerverwarming nodig is, niet te laat is aangevoerd. Immers, geen rechtsregel verzet er zich tegen dat tijdens de procedure bij de rechtbank nieuwe gronden die zijn aangevoerd bij de beoordeling van het beroep worden betrokken. Daarenboven is i.c. van belang dat de stelling van eiseres volgt uit het eerder in de procedure reeds ingenomen standpunt dat de vloer van de aanbouw te koud is voor eiseres, zodat van een geheel nieuw standpunt geen sprake is. De rechtbank zal daarom deze stelling van eiseres bij de beoordeling van het beroep betrekken.
De rechtbank overweegt verder dat ingevolge artikel 2 van de Wmo er geen aanspraak op ondersteuning op grond van de Wmo bestaat, indien reeds op grond van een andere wettelijke bepaling een voorziening bestaat. De rechtbank begrijpt het betoog van verweerder dat eiseres de verhuurder kan aanspreken zo, dat verweerder hiermee betoogt dat daarmee zo’n voorliggende voorziening bestaat. Verweerder heeft ter zitting hierover, ter toelichting op hetgeen reeds in het bestreden besluit is gesteld, betoogd dat de verhuurder jegens eiseres tekortschiet in zijn contractuele verplichting om woongenot te verschaffen, op grond waarvan eiseres de verhuurder kan aanspreken.
De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 7:203 van het BW de verhuurder verplicht is de zaak ter beschikking van de verhuurder te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is. In artikel 7:204, tweede lid, van het BW, voor zover van belang, is een gebrek omschreven als een staat of eigenschap van de zaak, waardoor deze aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een hij bij het aangaan van de overeenkomst daarvan mag verwachten. De rechtbank overweegt dat de verplichting voor de verhuurder om woongenot te verschaffen er aldus toe strekt om de huurder in staat te stellen het gehuurde te gebruiken overeenkomstig de daaraan redelijkerwijs te stellen verwachtingen. Onder omstandigheden kunnen bij de bepaling van de omvang van die redelijkerwijs te stellen verwachtingen (bekende) aandoeningen van de huurder worden betrokken. Daarbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad van 26 april 2002 (LJN AD9139).
In dit verband overweegt de rechtbank dat het hoofdgebouw van de woning door de verhuurder is gerenoveerd en geïsoleerd. De rechtbank is verder van oordeel dat het ontbreken van isolatie in een aanbouw – zeker in de sociale huursector – niet ongebruikelijk is. De woning, inclusief de aanbouw, voldoet verder aan de eisen met betrekking tot thermische isolatie die het Bouwbesluit 2003 daaraan stelt. Ten aanzien van de medische behoeften van eiseres overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet blijkt dat de verhuurder op de hoogte was of is van alle specifieke eisen waaraan de woning ten behoeve van eiseres moet voldoen. In het verslag van de bezichtiging van de woning op 27 mei 2009, de offerte-aanvraag van 3 juli 2009, evenals in de werkomschrijving van 3 september 2009 is in ieder geval niets over de behoefte aan verwarming in de aanbouw opgenomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van – voorshands – van oordeel dat de woning voldoet aan de redelijkerwijs daaraan te stellen verwachtingen. De aansprakelijkheid en/of de toewijsbaarheid van een civiele vordering als waar verweerder op doelt, acht de rechtbank daarom niet aannemelijk. Van een voorliggende voorziening is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd dat de aanvraag strekt tot renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd, waarvoor op grond van artikel 24, eerste lid en onder g, van de Vmo geen voorziening wordt verstrekt. Zoals verweerder in het bestreden besluit opmerkt, is deze afwijzingsgrond een verbijzondering van de algemene afwijzingsgrond in artikel 4, aanhef en onder a, van de Vmo, dat geen voorziening wordt verstrekt, indien deze voor de persoon van de aanvrager algemeen gebruikelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is de geweigerde voorziening echter niet als algemeen gebruikelijk te beschouwen. Zoals hiervoor overwogen, kan van isolatie in een aanbouw van een woning uit de sociale huursector niet gezegd worden dat deze algemeen gebruikelijk is. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder, voor zover dat blijkt uit de stukken, niet heeft onderzocht of de voorziening voor een persoon als eiseres gebruikelijk is. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aan het bestreden besluit niet het bepaalde in artikel 24, eerste lid en onder g, van de Vmo ten grondslag kunnen leggen. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden.
De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Daartoe overweegt zij als volgt.
De vraag die voorligt is of er ondersteuning op grond van de Wmo dient te worden verleend ter compensatie van de beperkingen van eiseres. De rechtbank overweegt dat, naar niet in geschil is, de radiator op zichzelf genomen voldoende capaciteit heeft om de ruimte tot de vereiste 18° Celsius te verwarmen. Dat betekent dat eiseres geen beperkingen ondervindt, mits eiseres, althans haar ouders, voldoende stoken. Eiseres heeft verder weliswaar ter zitting gesteld dat de vloer koud blijft, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken. Naar de vader van eiseres eerder heeft verklaard, heeft hij tapijten op de vloer gelegd om te voorkomen dat de vloer koud zou worden. Nu eerst ter zitting is gesteld dat deze oplossing niet volstaat en eiseres deze stelling op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat deze oplossing niet adequaat is.
Uit het voorgaande volgt dat eiseres haar beperkingen bij het bewegen in en om de woning, als gevolg van het verblijf een onvoldoende verwarmde ruimte, zelf kan opheffen. Op grond van artikel 4, aanhef en onder c, van de Vmo, komt eiseres daarom niet in aanmerking voor ondersteuning op grond van de Wmo. Verweerder heeft daarom de aanvraag terecht afgewezen, zij het op grond van een onjuiste afwijzingsgrond.
Nu het beroep gegrond is, acht de rechtbank termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op
€ 874 aan kosten van door een deskundige derde verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd.
De rechtbank bepaalt daarnaast, onder toepassing van artikel 8:74, van de Awb, dat het griffierecht wordt vergoed.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 874;
- bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;
- bepaalt voorts dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.T.C. Wijsman, griffier.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2011.
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: 24 mei 2011.