ECLI:NL:RBARN:2011:BQ9545

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
7 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
749519 BM VERZ 11-721
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.A. Huidekoper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:435 BWArt. 1:448 BWArt. 1:449 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag beschermingsbewindvoerder wegens onbehoorlijk financieel beheer

De zaak betreft een verzoek tot opheffing van het beschermingsbewind over de goederen van de verzoeker, ingesteld door de verzoeker zelf. De verzoeker gaf aan met hulp van een begeleider van het RIBW weer grip te willen krijgen op zijn financiën en stelde dat de bewindvoerster fouten had gemaakt en afspraken niet was nagekomen.

De kantonrechter nam kennis van de schriftelijke stukken en de mondelinge behandeling. Uit de behandeling bleek dat de bewindvoerster de tandartsrekening naar de verkeerde verzekeringsmaatschappij had gestuurd, waardoor deze niet tijdig werd betaald. Tevens ontstond er een saldotekort op de betaalrekening door gebrekkige regie bij de aankoop van een computer, ondanks toestemming van de bewindvoerster en voorfinanciering door de moeder van de verzoeker.

Hoewel de huur in het begin niet werd betaald, was dit later rechtgetrokken na ontvangst van huurtoeslag. Ook was er aanvankelijk geen maandelijkse bankoverzichten verstrekt, maar dit was inmiddels hersteld. De kantonrechter oordeelde dat de bewindvoerster het beheer niet behoorlijk had gevoerd zoals bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW Pro, wat een gewichtige reden vormt voor ontslag krachtens artikel 1:448 lid 2 BW Pro.

Gezien de vrijwillige begeleiding van het RIBW achtte de kantonrechter de onderbewindstelling niet langer noodzakelijk en besloot het bewind op te heffen met ingang van 1 augustus 2011. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan door partijen binnen drie maanden worden aangevochten bij het Gerechtshof Arnhem.

Uitkomst: Het bewind over de goederen van de verzoeker wordt opgeheven wegens onbehoorlijk beheer door de bewindvoerder.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector kanton
Locatie Arnhem
zaakgegevens 749519 BM VERZ 11-721 / PH/78/ICH
uitspraak van 7 juni 2011
BM [nummer]
beschikking op een verzoek tot opheffing van de onderbewindstelling
op verzoek van
[rechthebbende]
wonende te [adres]
geboren te Rhenen op [dag en maand] 1984
hierna ook te noemen verzoeker
Het verzoek strekt tot opheffing van het bewind over de goederen van verzoeker zelf.
De procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek met bijlagen, ter griffie ingekomen op 15 april 2011
- de schriftelijke reactie van de bewindvoerster, ter griffie ingekomen op 27 april 2011
De beoordeling
Bij brief van 13 april 2011 heeft rechthebbende opheffing van het bewind verzocht, omdat hij met behulp van een begeleider van het RIBW wil proberen weer grip te krijgen op zijn financiën. Daarbij vermeldde hij dat de bewindvoerster regelmatig fouten had gemaakt en afspraken niet was nagekomen.
Deze signalen zijn voor de kantonrechter aanleiding geweest om de bewindvoerster om reactie te vragen.
In zijn brief van 22 april 2011 heeft bewindvoerster uiteen gezet dat het niet mogelijk was om een aparte spaarrekening op naam van de dochter van rechthebbende te openen, omdat bewindvoerster het aantal rekeningen per cliënt zoveel mogelijk beperkt. Overigens is er te weinig financiële ruimte om te sparen.
Verder vermeldt bewindvoerster dat rechthebbende begin maart 2011 een flink bedrag van zijn privérekening heeft afgeschreven, waardoor geld voor de boodschappen ontbrak. Dat zou rechthebbende niet hebben begrepen. Rechthebbende weigert een afspraak te maken om een en ander duidelijk te krijgen. De bewindvoerster stelt een afbouwregeling voor.
Op 7 juni 2011 is het verzoek mondeling behandeld. Ter zitting zijn de volgende zaken gebleken. Een rekening van de tandarts was door bewindvoerster per abuis naar FBTO in plaats van Menzis gestuurd. Ondanks toestemming van de bewindvoerster en het feit dat de moeder van rechthebbende een deel van de kosten zou betalen, was toch door de aanschaf van de afgesproken computer saldotekort ontstaan op de betaalrekening. De huur was in de eerste fase van het bewind enkele malen niet betaald, maar nadat de huurtoeslag was ontvangen, was dit naderhand rechtgetrokken. Aanvankelijk waren geen bankafschriften aan rechthebbende gezonden, maar het eerste overzicht over de maand april, was inmiddels verstrekt.
De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.
De kantonrechter kan ermee instemmen dat een professioneel bewindvoerster het aantal bankrekeningen zoveel mogelijk beperkt. Nu ook te weinig budget aanwezig is om te sparen, acht de kantonrechter dit onderdeel van de klacht niet gegrond.
Het is de kantonrechter uit soortgelijk zaken bekend, dat de banken in 2010 en 2011 gedurende een periode geen maandelijkse overzichten aan de bewindvoerders hebben gestuurd. Dezen waren daardoor niet in staat om kopieën van die overzichten aan de rechthebbenden door te sturen. Inmiddels verstrekken de banken weer deze overzichten en het overzicht over de maand april is aan rechthebbende toegezonden. Dit klachtonderdeel is daarom niet gegrond.
Wat het niet betalen van huur betreft, meent de kantonrechter dat het niet aan bewindvoerster kan worden verweten dat hij geen huur betaald, als daarvoor het geld ontbreekt. Kennelijk heeft bewindvoerster wel de nodige actie ondernomen, want op een gegeven moment kwam de huurtoeslag binnen en kon de opgelopen huurachterstand worden afgelost. Ook dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond.
De kennelijk ongelukkige regie rond de aanschaf van de computer en de vergissing met het toesturen van de tandartsrekening aan de verkeerde verzekeringsmaatschappij zijn onvolkomenheden in het beheer die rechthebbende niet van een professionele bewindvoerster behoeft te verwachten.
De kantonrechter acht deze klachten daarom gegrond.
Op grond van het voorgaande meent de kantonrechter dat de waarneming van de vermogensrechtelijke belangen van rechthebbende niet behoorlijk is geweest in de zin van artikel 1:435, eerste lid, BW. Dat vormt een gewichtige reden in de zin van artikel 1:448, lid 2 BW voor ontslag.
Gelet op de begeleiding die rechthebbende inmiddels van het RIBW ontvangt - een begeleidster van het RIBW was ter zitting met rechthebbende meegekomen - is de kantonrechter van oordeel dat de oorzaak die aanleiding vormde voor de onderbewindstelling, niet langer bestaat. Naar het zich laat aanzien wordt rechthebbende in afdoende mate gesteund in de behartiging van zijn vermogensrechtelijke belangen door het RIBW. Dat is hulp op vrijwillige basis, waardoor geen behoefte meer bestaat aan de meer ingrijpende maatregel van beschermingsbewind. (artikel 449, lid 2 BW)
De beslissing
De kantonrechter
heft het bewind over de goederen van [rechthebbende] op met ingang van 1 augustus 2011;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. P.A. Huidekoper en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2011.
Tegen deze beslissing kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem
a. door de verzoeker en degenen aan wie de griffier een afschrift van deze beschikking heeft verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.