ECLI:NL:RBARN:2011:BR0274

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
19 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4009
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:51a AwbArt. 54, derde lid, aanhef en onder a Wwb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelbesluit intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en vermogensoverschrijding

Eiseres ontving bijstand van 1992 tot 2009. Verweerder trok deze bijstand in en vorderde terugbetaling wegens vermeende gezamenlijke huishouding met partner en vermogensoverschrijding. De rechtbank onderzocht de feiten, waaronder getuigenverklaringen en bankgegevens.

De rechtbank oordeelde dat voor de periode 14 mei 1998 tot 10 maart 2003 onvoldoende bewijs was voor een gezamenlijke huishouding, waardoor intrekking in die periode niet gerechtvaardigd was. Voor de periode van 9 maart 2005 tot 23 juli 2009 was wel sprake van gezamenlijke huishouding en dus recht op intrekking. Vermogensoverschrijding werd vastgesteld voor de periodes 11 maart 2003 tot 8 maart 2005 en vanaf 24 juli 2009, maar de waarde van een auto werd ten onrechte meegerekend.

De terugvordering was onjuist berekend door opname van niet-bijstandskosten en dubbele bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit deels. Verweerder werd in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken de gebreken te herstellen en een correcte terugvorderingsberekening te maken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit deels vernietigd, met opdracht aan verweerder om binnen zes weken de gebreken te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 10/4009
tussenuitspraak ingevolge artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 19 mei 2011.
inzake
[Eiseres], eiseres,
wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. H. Pasman,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 28 september 2010, zoals gewijzigd bij besluit van 14 maart 2011.
2. Procesverloop
2.1. Bij besluit van 30 december 2009 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres met ingang van 1 december 2009 opgeschort. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 8 februari 2010 bezwaar gemaakt.
2.2. Bij besluit van 29 januari 2010 heeft verweerder de bijstand van eiseres met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken en over de periode van 1 juli 1997 tot en met november 2009 een bedrag van in totaal € 148.464,87 van eiseres teruggevorderd voor gemaakte kosten van bijstand, verstrekkingen maatschappelijke participatie en premie deeltijd. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 10 februari 2010 bezwaar gemaakt.
2.3. Bij besluit van 3 maart 2010 heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 29 januari 2010, de bijstand van eiseres met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken en over de periode van 1 juli 1997 tot en met november 2009 een bedrag van in totaal € 160.326,87 van eiseres teruggevorderd voor gemaakte kosten van bijstand, verstrekkingen maatschappelijke participatie en premie deeltijd. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiseres van 1 juli 1997 tot en met 10 maart 2003 en van 9 maart 2005 tot en met 23 juli 2009 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [naam I], dat in de periode van 11 maart 2003 tot en met 8 maart 2005 sprake was van vermogensoverschrijding en, tot slot, dat zij vanaf 24 juli 2009 een gezamenlijke huishouding voerde met [naam II]. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 april 2010 bezwaar gemaakt.
2.4. Bij besluit van 28 september 2010 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 30 december 2009 en 29 januari 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Voorts heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 3 maart 2010 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de ingangsdatum van de intrekking en terugvordering is gewijzigd[14 mei 1998] en het terug te vorderen bedrag is vastgesteld op € 150.719,68. Voor het overige heeft verweerder het besluit van 3 maart 2010 onder aanpassing van de motivering gehandhaafd.
2.5. Eiseres heeft tegen het besluit van 28 september 2010 beroep ingesteld voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2010 ongegrond is verklaard.
2.6. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.7. Hangende het beroep heeft verweerder bij besluit van 14 maart 2011 het besluit van 28 september 2010 in die zin gewijzigd dat het recht op bijstand van eiseres met ingang van 24 juli 2009 wordt ingetrokken wegens vermogensoverschrijding. Tevens heeft verweerder de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 874,-- vergoed. Voor het overige is het besluit van 28 september 2010 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.
2.8. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
2.9. Het beroep is gevoegd behandeld met het beroep van [naam I] met registratienummer AWB 10/3750 ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 18 maart 2011. Namens eiseres is aldaar verschenen mr. Pasman, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen. Na sluiting van het onderzoek zijn de zaken weer gesplitst.
3. Overwegingen
3.1. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 14 maart 2011 binnen de grondslag en reikwijdte van het besluit van 28 september 2010 valt, zodat het besluit van 14 maart 2011 dient te worden aangemerkt als een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:18 van Pro de Awb. Aangezien verweerder met dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres, wordt het beroep ingevolge artikel 6:19 van Pro de Awb daarom geacht mede te zijn gericht tegen voormeld besluit.
3.2. Verweerder heeft ter zitting verduidelijkt dat het bestreden besluit alleen betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van bijstand. Voor zover in het bestreden besluit sprake is van terugvordering van kosten maatschappelijke participatie gaat het alleen om een mededeling dat terugvordering met toepassing van het Burgerlijk Wetboek zal plaatsvinden.
Ten aanzien van de intrekking
3.3. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
3.3.1. Eiseres ontving vanaf 1 juli 1992 tot 1 december 2009 bijstand, aanvankelijk naar de norm voor een alleenstaande en vanaf [14 mei 1998] naar de norm voor een alleenstaande ouder.
3.3.2. Eiseres en [naam I] hebben samen twee kinderen ([geboortedatum]). Eiseres staat sinds 25 maart 1986 ingeschreven op het adres [adres I]. Gedurende de periode van 4 januari 1988 tot 6 april 2004 stond [naam I] ingeschreven op het adres van zijn bedrijf aan de [adres II]. Vanaf laatstgenoemde datum tot 6 september 2004 was het adres van [naam I] onbekend. Sinds 6 september 2004 staat [naam I] ingeschreven op het adres [adres III], zijnde het adres van zijn moeder.
3.3.3. Naar aanleiding van een melding dat eiseres over een verzwegen bankrekening beschikte heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar het vermogen van eiseres. Naar aanleiding van een tweede fraudemelding dat eiseres vermoedelijk een gezamenlijke huishouding zou voeren, heeft de sociale recherche tevens een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiseres. In het kader van deze onderzoeken is onder meer dossieronderzoek verricht, is informatie bij de ABN AMRO-bank en bij de Commerzbank in Duitsland opgevraagd, zijn getuigen gehoord, waaronder de vader van eiseres en buurtbewoners in de woonomgeving van eiseres, en zijn desgevraagd bankafschriften overgelegd. Tevens zijn eiseres en [naam I] gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapportages van 27 januari 2010 en 26 februari 2010.
3.4. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiseres en [naam I], gelet op de getuigenverklaringen en de eigen verklaringen van eiseres, in de perioden van 14 mei 1998 tot en met 10 maart 2003 en van 9 maart 2005 tot en met 23 juli 2009 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Ten aanzien van de perioden van 11 maart 2003 tot en met 8 maart 2005 en vanaf 24 juli 2009 stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres heeft verzwegen dat zij de beschikking had over vermogen dat de voor haar geldende vermogensgrens overschreed. Om die reden had eiseres volgens verweerder in deze perioden geen recht op bijstand.
3.5. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op haar stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.
3.6. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het onderdeel van de intrekking van bijstand met ingang van 24 juli 2009 wegens vermogensoverschrijding geen einddatum heeft vermeld. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit, in dit geval tot en met 29 januari 2010.
3.7. Gelet op het voor eiseres belastende karakter van het bestreden besluit, rust de bewijslast met betrekking tot het standpunt dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding alsmede het standpunt dat er sprake is van vermogensoverschrijding in beginsel op verweerder.
- Gezamenlijke huishouding
3.8. Verweerders standpunt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen eiseres en [naam I] is gebaseerd op de onderzoeksbevindingen, zoals opgenomen in de rapportage van 27 januari 2010. Ter beoordeling staat of deze onderzoeksbevindingen voldoende grondslag kunnen bieden voor het bestreden besluit.
3.9. Vaststaat dat eiseres en [naam I] samen kinderen hebben. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) respectievelijk Wwb is voor de beantwoording van de vraag of eiseres en [naam I] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd uitsluitend van belang of zij een gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van eiseres aan de [adres I].
3.10. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Aan het criterium van het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning kan ook zijn voldaan indien, ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte, toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt.
3.11. Vaststaat dat [naam I] in de periode van 11 maart 2003 tot en met 8 maart 2005 gedetineerd is geweest. Daarna heeft hij gedurende de periode van 9 maart 2005 tot 25 mei 2005 elektronische detentie ondergaan. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres en [naam I] gedurende de periode van elektronische detentie hun gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van eiseres hadden. De rechtbank zal de intrekking van het recht op bijstand van eiseres dan ook aan de hand van twee periodes beoordelen, te weten de periode vóór en na de detentie van [naam I].
Periode van 14 mei 1998 tot en met 10 maart 2003
3.12.1. Met betrekking tot deze periode bieden de voorhanden zijnde gegevens naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat eiseres en [naam I] hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van eiseres. Weliswaar staat in de verklaring van eiseres dat [naam I] vanaf de geboorte van hun tweeling op [geboortedatum] zijn hoofdverblijf op haar adres had, maar uit de verklaring blijkt niet wat eiseres onder “hoofdverblijf” verstaat en ook niet dat hiermee “hoofdverblijf” in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wwb kan zijn bedoeld. De verklaring bevat dan ook onvoldoende concrete details om de conclusie te kunnen dragen dat er sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf.
3.12.2. Volgens verweerder wordt de verklaring van eiseres ondersteund door de getuigenverklaringen van vier buurtbewoners uit de omgeving van het adres van eiseres aangezien deze buurtbewoners hebben verklaard dat in de woning van eiseres ook nog [naam I] en hun twee dochters woonachtig zijn.
3.12.3. De rechtbank stelt voorop dat de bewijskracht van een verklaring die is gebaseerd op hetgeen een getuige zich uit het verleden herinnert, afneemt naarmate de periode waarop die verklaring ziet verder in het verleden ligt. Wil aan een dergelijke verklaring desondanks betekenis toekomen dan zal de verklaring voldoende concrete details moeten bevatten die controleerbaar en verifieerbaar zijn, en die ook duidelijk maken om welke periode het gaat.
3.12.4. Voor de hier aan de orde zijnde periode is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de buurtbewoners onvoldoende concrete details bevatten. Dat zij menen dat [naam I] op [huisnummer] woonachtig was, betreft geen concreet detail op basis waarvan het hoofdverblijf van [naam I] bij eiseres kan worden aangenomen. Er is niet doorgevraagd op basis van welke feiten de getuigen meenden dat [naam I] in de betreffende periode net als eiseres op [huisnummer] woonachtig was. Dit betekent dat op basis van de verklaringen van de buurtbewoners evenmin tot de conclusie kan worden gekomen dat er sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf van eiseres en [naam I]. Ook de overige stukken bieden onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat [naam I] zijn hoofdverblijf had bij eiseres.
3.12.5. Gelet op hetgeen onder 3.12.1 tot en met 3.12.4 is overwogen, steunt de intrekking van bijstand over de periode van 14 mei 1998 tot en met 10 maart 2003 op onvoldoende feitelijke grondslag. Verweerder was derhalve niet bevoegd de bijstand van eiseres over deze periode in te trekken. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek, dat eveneens aan het primaire besluit van 3 maart 2010 kleeft, niet meer kan worden gerepareerd.
Periode van 9 maart 2005 tot en met 23 juli 2009
3.13.1. Zoals onder 3.11 is vastgesteld, staat het gezamenlijk hoofdverblijf, en daarmee de gezamenlijke huishouding tussen eiseres en [naam I] gedurende de periode van zijn elektronische detentie van 9 maart 2005 tot en met 24 mei 2005, vast. Eiseres heeft dit niet aan verweerder gemeld waarmee zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Aan de orde is vervolgens of zich vanaf 25 mei 2005 een wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan zodanig dat niet langer sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen eiseres en [naam I]. Volgens eiseres heeft deze wijziging zich voorgedaan omdat [naam I] na zijn elektronische detentie bij haar is vertrokken en weer bij zijn moeder is gaan wonen. De rechtbank ziet voor deze wijziging in de omstandigheden geen steun in de feiten. Uit de verklaring die eiseres tegenover de sociaal rechercheur heeft afgelegd, blijkt deze wijziging niet. Zij heeft verklaard dat [naam I] vaak bij haar verblijft, dat hij zijn kleding en toiletspullen bij haar heeft liggen en dat hij zijn was en ook die van de kinderen bij haar doet. Voorts wordt deze verklaring ondersteund door de getuigenverklaringen van de buurtbewoners, die hebben verklaard dat op het adres van eiseres ook [naam I] woonachtig is. De rechtbank is van oordeel dat aan de getuigenverklaringen van de buurtbewoners over deze periode wel betekenis kan worden toegekend, omdat het hier gaat om de waarneming of zich een wijziging in de omstandigheden ten opzichte van de periode van elektronische detentie heeft voorgedaan, bovendien gaat het hier om een recentere periode uit het verleden waarvan mag worden aangenomen dat men die zich beter kan herinneren. Dat één van de buurtbewoners, de heer [naam buurtbewoner], zijn afgelegde verklaring tegenover de sociale recherche niet heeft ondertekend en dat hij achteraf in beroep een verklaring heeft overgelegd dat zijn verklaring onder valse voorwendselen is verkregen, doet aan het voorgaande niet af. Ook de overige stukken bieden geen aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat [naam I], anders dan tijdens zijn elektronische detentie, niet langer zijn hoofdverblijf bij eiseres had.
3.13.2. Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan door eiseres is gesteld, niet gebleken dat eiseres niet aan haar verklaring kan worden gehouden, omdat zij deze onder druk zou hebben afgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB mag in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring en kan aan een latere intrekking of ontkenning van die verklaring geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Hierbij gaat de rechtbank er van uit dat een zekere vorm van druk inherent is aan de verhoorsituatie. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres haar verklaring niet in vrijheid, dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd als gevolg waarvan een onjuiste verklaring is afgelegd.
3.13.3. Eiseres heeft in dit kader nog aangevoerd dat thans een gezamenlijke huishouding wordt aangenomen, terwijl op grond van het onderzoek op 18 maart 2009 – ingesteld door de politie in de woning van eiseres – werd geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen waren die duidden op de aanwezigheid van een man in de woning van eiseres. Voor zover eiseres hiermee een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, kan dit niet slagen. Aan het feit dat verweerder bij een eerder onderzoek geen aanwezigheid van een man heeft aangenomen, kan eiseres niet een rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat verweerder deze situatie ook voor de toekomst ongewijzigd zou laten. Het standpunt van verweerder dat thans wel sprake is van een gezamenlijke huishouding, is gebaseerd op nieuwe onderzoeksresultaten voortvloeiend uit het vervolgonderzoek door de sociale recherche.
3.13.4. Uit hetgeen onder 3.13.1 tot en met 3.13.3 is overwogen, volgt dat voor de periode van 9 maart 2005 tot en met 23 juli 2009 het gezamenlijk hoofdverblijf van eiseres en [naam I] op het adres van eiseres kan worden aangenomen en daarmee ook de gezamenlijke huishouding. Door deze gezamenlijke huishouding niet te melden heeft eiseres ten onrechte als zelfstandig subject bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ontvangen. Verweerder was derhalve bevoegd om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb de bijstand van eiseres over de periode van 9 maart 2005 tot en met 23 juli 2009 in te trekken. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond aanwezig om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.
- Vermogen
3.14.1. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat sprake is van vermogen boven de voor eiseres geldende vermogensgrens. Verweerder heeft deze vermogensoverschrijding aan de intrekking ten grondslag gelegd voor de periode van 11 maart 2003 tot en met 8 maart 2005 toen [naam I] in detentie verbleef en voor de periode vanaf 24 juli 2009 toen eiseres haar woning had verlaten en haar intrek had genomen bij haar vriend [naam II].
3.14.2. Verweerder heeft de vermogensoverschrijding gebaseerd op de waarde van een bij eiseres in gebruik zijnde auto, de waarde van bij eiseres in beslag genomen sieraden en de banksaldi van vijf bankrekeningen die (mede) op naam staan van eiseres. Verweerder heeft vervolgens de vermogensoverschrijding, rekening houdend met het geldende beleid inzake vermogensoverschrijding, berekend op € 17.433,62. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit bedrag aan vermogensoverschrijding zowel geldt voor de periode van 11 maart 2003 tot en met 8 maart 2005, als voor de periode vanaf 24 juli 2009.
3.14.3. Ten aanzien van de auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken] is de rechtbank, anders dan verweerder, van oordeel dat deze auto niet tot het vermogen van eiseres gerekend kan worden. Omdat het kenteken niet op naam van eiseres staat geregistreerd dienen er voldoende andere aanwijzingen te zijn die de conclusie kunnen dragen dat de auto tot het vermogen van eiseres dient te worden gerekend. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt echter alleen dat eiseres vaak het gebruik van de auto had. Dit is onvoldoende om ervan uit te kunnen gaan dat eiseres de beschikkingsmacht over de auto had. De auto kan derhalve niet tot het vermogen van eiseres worden gerekend. Nu verweerder in zijn vermogensberekening rekening heeft gehouden met een bedrag van € 7.462,-- voor de auto, dient het onder 3.14.2 genoemde vermogensbedrag hiermee gecorrigeerd te worden, waarmee dit een bedrag van € 9.971,62 wordt.
3.14.4. Ten aanzien van de sieraden is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat de sieraden tot het vermogen van eiseres kunnen worden gerekend. Daarbij hecht de rechtbank in het bijzonder betekenis aan het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van een door de politie ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek. Hieruit blijkt dat tijdens een doorzoeking in de woning van eiseres op 11 maart 2003 diverse sieraden zijn aangetroffen die aanvankelijk in beslag zijn genomen en naderhand op verzoek van eiseres aan haar zijn teruggegeven, met uitzondering van het Rolex herenhorloge. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen deze omstandigheden de vooronderstelling dat deze sieraden een bestanddeel vormen van het vermogen van eiseres waarover zij daadwerkelijk de beschikking had. In een dergelijke situatie is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is (zie de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2005, LJN AS2268).
3.14.5. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daar niet in is geslaagd, nu zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze sieraden in eigendom zouden toebehoren aan [naam I], zoals door haar is gesteld. Vaststaat dat eiseres aan verweerder geen melding heeft gemaakt van het bezit van de betreffende sieraden. Het betreft gegevens die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening of voortzetting van de bijstand, zodat eiseres naar het oordeel van de rechtbank de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in de artikelen 65, eerste lid, van de Abw respectievelijk 17, eerste lid, van de Wwb heeft geschonden.
3.14.6. Verweerder heeft blijkens het eerder genoemde proces-verbaal, opgemaakt in het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek, de waarde van de sieraden op een bedrag van € 4.400,-- getaxeerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze waardebepaling voor onjuist te houden, nu eiseres deze waardevaststelling niet gemotiveerd heeft betwist.
3.14.7. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres vijf bankrekeningen heeft verzwegen. Vier rekeningen bij de ABN AMRO-bank en een rekening bij de Commerzbank in Duitsland. Volgens verweerder kunnen de tegoeden op deze rekeningen tot het vermogen van eiseres worden gerekend.
3.14.8. Niet in geschil is dat de bankrekeningen ten tijde hier van belang (mede) op naam van eiseres stonden. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een bijstandsontvanger staat en een tegoed bevat de vooronderstelling dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is (zie onder meer de uitspraak van 1 april 2008, LJN BC9259).
3.14.9. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarin niet is geslaagd. Zij heeft weliswaar naar voren gebracht dat de (mede) op haar naam staande bankrekeningen door haar vader worden beheerd en dat de banktegoeden zijn bestemd voor haar kinderen, evenwel heeft eiseres niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond dat zij redelijkerwijs niet over de op die rekening staande tegoeden kon beschikken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat het geld op de betreffende rekening officieel van haar is en dat zij daarover kan beschikken. Dit wordt ook bevestigd door de verklaring van de vader van eiseres tegenover de sociale recherche. De rechtbank acht de stelling van eiseres dat de tegoeden zijn opgebouwd door besparingen uit de bijstand evenmin aannemelijk gemaakt, nu deze stelling niet met verifieerbaar bewijs wordt ondersteund. Verweerder heeft de tegoeden op de betreffende bankrekeningen derhalve terecht tot het vermogen van eiseres gerekend.
3.14.10. Vaststaat dat eiseres van de bankrekeningen en de daarop staande tegoeden geen mededeling aan verweerder heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat het hier om gegevens gaat die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening van bijstand, zodat eiseres ook in zoverre de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wwb op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
3.14.11. Voorts blijkt uit het overzicht van de saldi van genoemde bankrekeningen, opgenomen in de rapportage van 27 januari 2010, dat er vanaf 2003 sprake was van meer vermogen dan de voor eiseres geldende vermogensgrens. Ook blijkt uit dit overzicht dat eiseres op 31 december 2008 de beschikking had over een 1-jaarsdeposito van € 15.869,38 zodat ook voor de periode vanaf 24 juli 2009 uitgegaan kan worden van vermogensoverschrijding.
3.14.12. Gelet op het saldo op de verzwegen bankrekeningen alsmede de waarde van de sieraden beschikte eiseres over de periode van 11 maart 2003 tot en met 8 maart 2005 en vanaf 24 juli 2009 over meer vermogen dan het voor haar geldende vrij te laten vermogen. Verweerder was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb ook over deze periode bevoegd om tot intrekking van bijstand over te gaan.
Ten aanzien van de terugvordering
3.15. Uit hetgeen onder 3.13.4 is overwogen volgt dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd was om de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 maart 2005 tot en met 23 juli 2009 terug te vorderen van eiseres. Hierbij is niet gebleken dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
3.16. Uit hetgeen onder 3.14.12 is overwogen volgt dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb eveneens bevoegd was om de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 11 maart 2003 tot en met 8 maart 2005 en van 24 juli 2009 tot en met november 2009 van eiseres terug te vorderen. Verweerder is bij de berekening van de hoogte van de terugvordering uitgegaan van een saldo op de bankrekeningen van € 15.521,62, waaraan de waarde van de sieraden van € 4.400,-- is toegevoegd en waarvan een bedrag van € 9.950,-- aan vermogensvrijlating is afgetrokken. Zoals de rechtbank onder 3.14.3 heeft overwogen kan de waarde van de auto niet bij het vermogen worden betrokken. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de wijze waarop verweerder de terugvordering wegens vermogensoverschrijding heeft berekend, niet tekort is gedaan. Wel moet het terugvorderingsbedrag nog gecorrigeerd worden met de waarde van de auto die hier niet in thuishoort. De terugvordering wegens vermogensoverschrijding over beide periodes kan dan worden vastgesteld op € 9.971,62.
3.17. Zoals ter zitting is besproken was verweerder niet bevoegd de kosten van de premie deeltijd over 2007 en 2008, en de kosten maatschappelijke participatie over 2008 en 2009 van eiseres op grond van de Wwb terug te vorderen, omdat het hier geen bijstand betreft. Genoemde bedragen zijn dan ook ten onrechte in de berekening opgenomen. Voorts is in de berekening ten onrechte nog rekening gehouden met bijstandsbedragen over de periode van 24 juli 2009 tot en met november 2009, terwijl dit naar aanleiding van het besluit van 14 maart 2011, vanwege de gewijzigde grondslag, nog gecorrigeerd had moeten worden, een en ander zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht.
3.18. Uit hetgeen onder 3.15 tot en met 3.17 is overwogen volgt dat het terugvorderingsbesluit ter hoogte van € 150.719,68 geen stand kan houden.
Conclusie
3.19. Uit al het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar tegen de kosten maatschappelijke participatie niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. Verder had verweerder, onder herroeping van het primaire besluit in zoverre, de intrekking van bijstand dienen te beperken tot de volgende periodes: van 11 maart 2003 tot en met 8 maart 2005 en met ingang van 24 juli 2009 wegens verzwegen vermogen, en van 9 maart 2005 tot en met 23 juli 2009 wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding met [naam I]. Voorts had verweerder, onder herroeping van het primaire terugvorderingsbesluit in zoverre, het terugvorderingsbedrag opnieuw moeten vaststellen. Hierbij had verweerder zich voor de periode van de gezamenlijke huishouding moeten beperken tot de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 maart 2005 tot en met 23 juli 2009. Voor de periode die betrekking heeft op de vermogensoverschrijding had verweerder zich moeten beperken tot een bedrag van € 9.971,62. Verder had verweerder de hoogte van de terugvordering nog moeten verlagen met de daarin ten onrechte opgenomen bedragen voor kosten premie deeltijd in 2007 en 2008, en voor kosten maatschappelijke participatie over 2008 en 2009. Ook had verweerder de terugvordering nog moeten verlagen met de daarin opgenomen kosten van bijstand over de periode van 24 juli 2009 tot en met november 2009 omdat een en ander al was verwerkt in de berekening die verband houdt met de vermogensoverschrijding.
3.20. Uit de conclusie onder 3.19 volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb voor vernietiging in aanmerking komt, behoudens voor zover het de intrekking van bijstand betreft over de periode van 11 maart 2003 tot en met 23 juli 2009 en met ingang van 24 juli 2009.
3.21. De rechtbank dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten. Ook kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, omdat een nieuwe terugvorderingsberekening gemaakt moet worden. De rechtbank ziet, gelet op het belang om tot een spoedige beëindiging van het geschil te komen, aanleiding verweerder onder toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb op de hierna te vermelden wijze in de gelegenheid te stellen bovengenoemde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
4. Beslissing
De rechtbank:
heropent het onderzoek;
stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak de gebreken die aan het bestreden besluit kleven te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. T.A. Willems-Dijkstra, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechters, in tegenwoordigheid mr. A. Azmi, griffier.
De griffier, De voorzitter,
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2011.
Hoger beroep tegen deze tussenuitspraak kan alleen tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de einduitspraak worden ingesteld.
Verzonden op: 19 mei 2011.