Desgevraagd heeft de heer [huidige mentor] gereageerd op de brief van de zoon van 29 april 2011, betreffende het gedrag van zijn zuster, de onmogelijkheid om telefonisch van gedachten te wisselen met de directeur van de stichting en de vrijwilliger van de stichting. Hij kent de beide voorgestelde opvolgers niet. Vanuit zijn perspectief en ervaringen met de dochter en de bewindvoerder zal hij echter – zo geeft hij aan – een lichte voorkeur aangeven voor zijn opvolging. Hij doet dat uit zijn verantwoordelijkheid om het mentoraat over te dragen aan die mentor die volgens hem het meest geschikt is om de zorgbelangen van [betrokkene] te behartigen. Hij schrijft onder meer:
Ik heb de dochter ervaren als zeer betrokken bij de verzorging van haar moeder; ze komt nagenoeg iedere dag op bezoek en betekent veel voor haar moeder. Wel heb ik gemerkt dat ze zich regelmatig ten onrechte druk maakte om bepaalde zaken en aandacht vroeg bij hulpverleners en mij terwijl daar geen reden voor was.
De heer [huidige mentor] noemt vervolgens drie voorbeelden : blijven aandringen op fysiotherapie, ook nadat de verpleeghuisarts en de verzorgers hadden uitgelegd dat dat niet was geïndiceerd; het aandringen om het middel [naam geneesmiddel] te blijven gebruiken, ook nadat de mentor bij deskundigen buiten het verpleeghuis had nagevraagd en te horen had gekregen dat dat niet geïndiceerd was. Toen de dochter meedeelde dat moeder te veel en hele dagen op bed bleef liggen, heeft de mentor navraag gedaan en kwam hij tot de conclusie dat moeder wel langer dan anders op bed bleef liggen, maar minder dan de dochter stelde en dat dit werd veroorzaakt door vermoeidheid en ziekte van moeder. De mentor schrijft verder:
Met een nieuwe mentor is er kans dat de relatie tussen de mentor en de dochter voor de laatste minder onaangenaam is.
Met betrekking tot de stichting schrijft hij : Wel kan ik me de wrevel van de [zoon] voorstellen. Ik ervaar de contacten met de stichting als afstandelijk en onprofessioneel. Een verzoek van mij om een gesprek werd bruusk afgewezen, ook niet op het moment dat [de directeur van de stichting ] en [de vrijwilliger] op bezoek kwamen in [de zorginstelling waar mevrouw verblijft]. Ik begrijp dat [de vrijwilliger] inmiddels met enige regelmaat [betrokkene] bezoekt terwijl ik (nog steeds) de mentor ben, zonder dat dat met mij is overlegd of aan mij is gevraagd. Nog los van de minachting voor de huidige mentor die uit dit alles spreekt en die ik eigenlijk klachtwaardig acht, lijkt het me voor de nieuwe mentor onverstandig om alleen uit te gaan van de m.i. gekleurde voorstelling van zaken door de dochter en niet kennis te nemen van de beslissingen die de huidige mentor heeft genomen en de redenen daarvoor.
Vervolgens schrijft de mentor dat de regionale stichtingen mentorschap nog pas kort bestaan en bezig zijn een kwaliteitsslag te maken. Verbeteringen, zoals in de omgang met aftredende mentoren zullen ongetwijfeld binnenkort hun beslag krijgen.
De door de zoon voorgestelde mentor, de echtgenoot van de bewindvoerster, zou – zo vreest de mentor – niet de ruimte van zijn echtgenote/bewindvoerster krijgen als het gaat om de zorg en het veraangenamen van het leven van [betrokkene]. Hij illustreert dit met de manier waarop de bewindvoerster is omgegaan met de rekening van de kapster. Voorheen werd deze contant betaald, maar voortaan moest zij declareren op modelfacturen. Toen daar de verleende dienst werd omschreven als “wassen en knippen”, weigerde de bewindvoerster voor het wassen te betalen, omdat dat door de AWBZ werd vergoed en door het personeel van het verpleeghuis behoorde te worden gedaan. Formeel wel juist, maar niet in overeenstemming met de realiteit in het verzorgingshuis. Ook had de bewindvoerster de mentor erop gewezen, dat [betrokkene] meer aan de kapper uitgaf dan zij (de bewindvoerster) zelf deed.
De mentor besluit met uit te spreken dat zijn voorkeur uitgaat naar benoeming van een vrijwilliger van de stichting die dan wel voldoende distantie in acht moet nemen van de opvattingen van de dochter.