ECLI:NL:RBARN:2011:BR6081

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
20 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
231148
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 sub c EET-verordeningArt. 6 Uitvoeringswet EEB-verordeningArt. 17 lid 1 EEB-verordeningArt. 7 EEB-verordeningArt. 6 lid 1 EET-verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot waarmerking vonnis als Europese executoriale titel

Bit B.V. heeft een Europees betalingsbevelprocedure gestart tegen NFSI Solucoes Internet LDA. Nadat NFSI een verweerschrift had ingediend, werd de procedure op grond van artikel 17 lid 1 EEB Pro-verordening voortgezet volgens het gewone burgerlijke procesrecht bij de rechtbank Arnhem. NFSI verscheen niet bij de terechtzitting, waarna de rechtbank op 6 oktober 2010 vonnis wees en NFSI veroordeelde tot betaling van € 12.194, vermeerderd met rente en kosten.

Bit verzocht vervolgens om dit vonnis te laten waarmerken als Europese executoriale titel op grond van de EET-verordening. De rechtbank oordeelde dat de situatie van artikel 3 lid 1 sub c EET Pro-verordening van toepassing is, waarbij het niet verschijnen van de schuldenaar na het indienen van een verweerschrift in de EEB-procedure gelijkstaat aan stilzwijgende erkenning van de schuldvordering.

De rechtbank wees het verzoek toe en waarmerkte het vonnis als Europese executoriale titel. Tevens werd opgemerkt dat de situatie van artikel 3 lid 1 sub b EET Pro-verordening niet van toepassing was, omdat de schuldenaar zich wel had gesteld in de procedure en niet verstek was gebleven.

Uitkomst: Het verzoek tot waarmerking van het vonnis als Europese executoriale titel is toegewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rekestnummer: 213348 / KV RK 11-287
Beschikking van de voorzieningenrechter van 20 juni 2011
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BIT B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
verzoekster,
gemachtigde mr. W.E. Moojen te Amersfoort
en
de vennootschap naar Portugees recht NFSI SOLUCOES INTERNET LDA,
gevestigd te Leira (Portugal),
belanghebbende.
De partijen worden verder Bit en NFSI genoemd.
1. Het verzoek
1.1. Bit heeft op 28 augustus 2009 een Europees betalingsbevel verzocht bij de rechtbank ’s-Gravenhage (zoals bedoeld in artikel 7 van Pro verordening (EG) Nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europees betalingsbevelprocedure, verder: EEB-verordening). Omdat NFSI op 4 maart 2010 tegen dit verzoek een verweerschrift heeft ingediend, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage bij beschikking van 27 april 2010 overeenkomstig artikel 17 lid 1 EEB Pro-verordening de zaak verwezen naar de rechtbank Arnhem. De rechtbank Arnhem heeft in deze procedure, waar NFSI niet is verschenen, vonnis gewezen op 6 oktober 2010 (zaaknummer / rolnummer 199831 / HA ZA 10-848). De rechter heeft -kort samengevat- NFSI daarbij veroordeeld tot betaling aan Bit van een bedrag van € 12.194,00 te vermeerderen met rente en kosten.
1.2. Het thans voorliggende verzoek strekt ertoe het vonnis van de rechtbank Arnhem van 6 oktober 2010 te doen waarmerken als Europese executoriale titel (zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro ver¬or¬dening (EG) Nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvor¬de¬ringen, verder: EET-verordening).
2. De beoordeling
2.1. De EET-verordening is, blijkens artikel 3 lid Pro 1, van toepassing op beslis¬singen, gerechtelijke schik¬kingen en authentieke akten inzake niet-betwiste schuldvorde¬ringen. Een schuldvordering geldt als niet-betwist indien:
a) de schuldenaar uitdrukkelijk met de schuldvordering heeft ingestemd door het bestaan van de schuld te erkennen door middel van een schikking die door een gerecht is goedge¬keurd of die in de loop van de gerechtelijke procedure voor een gerecht is getroffen; of
b) de schuldenaar zich niet, overeenkomstig de toepasselijke vormvoorschriften volgens het recht van de lidstaat van oorsprong, in de loop van de gerechtelijke procedure tegen de schuldvordering heeft verweerd; of
c) de schuldenaar tijdens de terechtzitting over de schuldvordering niet is verschenen of was vertegenwoordigd, nadat hij die schuldvordering in de loop van de procedure aanvankelijk had betwist, op voorwaarde dat deze handelwijze volgens het recht van de lidstaat van oorsprong gelijkstaat met een stilzwijgende erkenning van de schuldvordering of van de door de schuldeiser beweerde feiten; of
d) de schuldenaar bij authentieke akte uitdrukkelijk de schuldvordering heeft erkend.
2.2. Omdat de rechtbank aanvankelijk aarzelingen had over de toewijsbaarheid van het verzoek, heeft zij Bit de gelegenheid geboden te worden gehoord. Bit heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 19 mei 2011.
2.3. De rechtbank is met Bit van oordeel dat in deze zaak een situatie als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub c EET Pro-verordening zich voordoet. Hierbij is van belang dat deze bepaling (sub c) destijds in 2004 is geïntroduceerd om een in Duitsland verkregen betalingsbevel (“Mahnverfahren”) onder het toepassingsbereik van de EET-verordening te krijgen. In Nederland bestond op dat moment nog niet een dergelijke procedure waarmee op eenvoudige wijze een betalingsbevel kon worden verkregen voor een niet-betwiste schuldvordering. Een situatie als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub c EET Pro-verordening kon zich dan ook niet voordoen (Memorie van Toelichting Uitvoeringswet EET-verordening, 30 069, onder 2 Toepassingsgebied). Pas met de inwerkingtreding van de EEB-verordening (2006) is deze bepaling van belang geworden voor de Nederlandse situatie. Een verweerder kan immers in een EEB-procedure een verweerschrift indienen tegen een verzoek om een Europees betalingsbevel, enkel door aan te geven dat verweer bestaat tegen de schuldvordering, zonder daarbij de inhoudelijke gronden aan te dragen. Wordt op grond van artikel 17 lid 1 EEB Pro-verordening de procedure vervolgens voortgezet volgens het gewone burgerlijke procesrecht en verschijnt verweerder niet, dan heeft het vonnis op grond van artikel 6 Uitvoeringswet Pro EEB-verordening te gelden als een vonnis op tegenspraak, hoewel geen inhoudelijk verweer is gevoerd. In het licht van de strekking en het doel van de EET-verordening dient deze handelswijze van de schuldenaar tijdens deze EEB-procedure gelijk te worden gesteld met een stilzwijgende erkenning, zoals bedoeld is in artikel 3 lid 1 sub c EET Pro-verordening. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.
2.4. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de situatie als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub b EET Pro-verordening zich hier niet voordoet. Van deze situatie is slechts sprake als de schuldenaar in de procedure niet is verschenen (verstekvonnis), of als de schuldenaar zich wel heeft gesteld in de procedure, maar zich aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd (Memorie van Toelichting Uitvoeringswet EET-verordening, 30 069, onder 2 Toepassingsgebied). Geen van deze situaties heeft zich in deze zaak voorgedaan.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter,
waarmerkt aangehechte beslissing van de rechtbank Arnhem van 6 oktober 2010 met num¬mer 199831 / HA ZA 10-848 als Europese executoriale titel, ten bewijze waarvan tevens aan deze beschikking wordt gehecht het in artikel 9 lid 1 van Pro de verordening bedoelde formulier.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2011.