ECLI:NL:RBARN:2011:BR6084
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling griffierecht bij afzonderlijke verzoekschriften conservatoir beslag en termijnverlenging
De zaak betreft een geschil over de heffing van griffierecht bij twee afzonderlijke verzoekschriften: één tot het leggen van conservatoir beslag en één tot termijnverlenging voor het instellen van de hoofdzaak. De verzoeker stelde dat slechts één griffierecht verschuldigd was, omdat beide verzoeken betrekking hadden op dezelfde zaak en de toevoeging die bij het eerste verzoek was overgelegd ook voor het tweede verzoek zou moeten gelden.
De rechtbank oordeelde dat de procedures voor het leggen van conservatoir beslag en voor termijnverlenging twee aparte procedures zijn, elk met een eigen verzoekschrift en afzonderlijke eindbeschikkingen. Op grond van artikel 3 lid 2 WGBZ Pro is voor elk verzoekschrift apart griffierecht verschuldigd. Tevens is bepaald dat bij elk verzoekschrift een besluit tot toevoeging moet worden overgelegd, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.
Omdat bij het tweede verzoek geen besluit tot toevoeging was overgelegd en niet was gesteld dat de uitzonderingssituatie van artikel 16 lid 4 WGBZ Pro van toepassing was, was het griffierecht voor het tweede verzoek terecht op het normale tarief vastgesteld. Het argument dat de termijnverlenging noodzakelijk was vanwege een te korte termijn bij het eerste verzoek, kon hieraan niets afdoen. De rechtbank verklaarde het verzet van de verzoeker ongegrond.
Uitkomst: Het verzet tegen de heffing van het hogere griffierecht voor het termijnverleningsverzoek wordt ongegrond verklaard.