ECLI:NL:RBARN:2011:BU9420

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
20 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/1518
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:13 AwbArt. 8:74 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens herstel gebrek bij openbaarmaking passages bestuursverslag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen besluiten van het Dagelijks bestuur Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden. Het eerste besluit van 10 maart 2010 betrof de weigering tot openbaarmaking van bepaalde passages uit het bestuursverslag van 9 juli 2009. De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat dit besluit onvoldoende gemotiveerd was.

Verweerder heeft vervolgens op 26 september 2011 een nieuw besluit genomen waarin de eerder geweigerde passages alsnog openbaar zijn gemaakt. Hierdoor heeft verweerder het geconstateerde gebrek hersteld. De rechtbank verklaart het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van belang en verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond.

De rechtbank wijst geen proceskosten toe aan eiser, maar beveelt wel vergoeding van het betaalde griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Beroep tegen eerste besluit niet-ontvankelijk en beroep tegen tweede besluit ongegrond verklaard; griffierecht vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 10/1518
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 20 december 2011
inzake
[naam], eiser,
wonende te [woonplaats],
tegen
het Dagelijks bestuur Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
I Besluit van verweerder van 10 maart 2010;
II Besluit van verweerder van 26 september 2011.
2. Procesverloop
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 24 augustus 2011. Eiser is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Diependaal en P. van Leeuwen.
De rechtbank heeft op 31 augustus 2011 een tussenuitspraak gewezen.
Verweerder heeft op 26 september 2011 een nieuw besluit op bezwaar genomen.
De rechtbank heeft het onderzoek op 4 november 2011 gesloten.
3. Overwegingen
Bij mondelinge tussenuitspraak van 31 augustus 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit van 10 maart 2010 onvoldoende gemotiveerd is voor zover het de weigering tot openbaarmaking van bepaalde passages uit het verslag van het dagelijks bestuur van 9 juli 2009 betreft.
Bij het besluit van 26 september 2011 heeft verweerder, gevolg gevend aan de tussenuitspraak, opnieuw beslist op het door eiser gemaakte bezwaar. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit van 10 maart 2010. De rechtbank zal het beroep tegen dit besluit dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Aangezien bij het nieuwe besluit niet geheel aan de bezwaren van eiser is tegemoetgekomen, wordt het beroep van eiser, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 26 september 2011 de in de tussenuitspraak aangeduide passages alsnog openbaar gemaakt. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het geconstateerde gebrek hersteld. Onder verwijzing naar hetgeen ten aanzien van de overige door eiser aangevoerde gronden is overwogen in de tussenuitspraak zal de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 september 2011 daarom ongegrond verklaren.
Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder op te dragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van Pro de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep tegen het besluit van 10 maart 2010 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 26 september 2011 ongegrond;
bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Kjellevold - Hoegee, griffier.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto Pro 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
Verzonden op: 20 december 2011