ECLI:NL:RBARN:2012:BW0986

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
29 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/363
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 6 EVRMArt. 14 IVBPR
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters wegens vermeende vooringenomenheid

Op 29 maart 2012 diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechters Maanicus, Van Linschoten en Van den Dungen-Dijkstra van de rechtbank Arnhem. Verzoeker stelde dat het dossier slechts op vermoedens was gebaseerd en dat de rechtbank onterecht het Openbaar Ministerie niet niet-ontvankelijk had verklaard, wat volgens hem wijst op vooringenomenheid van de rechters.

De wrakingskamer behandelde het verzoek ter zitting waarbij ook de betrokken rechters en de officier van justitie verschenen. De rechters stelden dat zij niet verantwoordelijk waren voor de samenstelling van het dossier en ontkenden vooringenomenheid.

De wrakingskamer oordeelde dat een rechter vermoed wordt onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het tegendeel aantonen. Verzoeker had geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. Ook het feit dat het dossier op vermoedens was gebaseerd en dat het onderzoek ter zitting was gestart, vormde geen grond voor wraking.

Daarom wees de rechtbank het wrakingsverzoek af. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters is afgewezen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ARNHEM
Wrakingskamer
zaaknummer: 12/363
parketnummer: 05/986300-11
Beschikking van 29 maart 2012
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking,
tegen
mrs. R.M. Maanicus, C. van Linschoten en N.K. van den Dungen-Dijkstra, in hun hoedanigheid van rechter.
1. De procedure
1.1. Ter zitting van 29 maart 2012 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mrs. Maanicus, Van Linschoten en Van den Dungen-Dijkstra.
1.2. Bij schrijven van 29 maart 2012 hebben mrs. Maanicus, Van Linschoten en Van den Dungen-Dijkstra aangegeven niet in de wraking te berusten en hebben zij hun zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet.
1.3. Op 29 maart 2012 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verzoeker is daar verschenen. Ook zijn daar verschenen mrs. Maanicus, Van Linschoten en Van den Dungen-Dijkstra. Voorts is verschenen officier van justitie mr. M. Enthoven. Hij heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot wraking.
1.4. De wrakingskamer heeft het onderzoek ter zitting gesloten en mondeling uitspraak gedaan, waarbij het verzoek tot wraking is afgewezen. Hieraan is navolgende ten grondslag gelegd.
2. Het wrakingsverzoek en het verweer
2.1. Verzoeker stelt dat het dossier enkel vermoedens behelst en op grond van enkel deze vermoedens het Openbaar Ministerie niet tot vervolging had mogen overgaan. Door het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie af te wijzen, gaat de rechtbank ten onrechte mee met het Openbaar Ministerie en daarmee is de vooringenomenheid en partijdigheid van genoemde rechters vast komen te staan.
2.2. Mrs. Maanicus, Van Linschoten en Van den Dugen-Dijkstra voeren verweer en stellen zich op het standpunt dat de rechtbank niet verantwoordelijk is voor de samenstelling van het dossier en de eventueel daarin geformuleerde conclusies. Van rechterlijke partijdigheid of vooringenomenheid is geen sprake.
3. De beoordeling
3.1. Gelet op artikel 512 Wetboek Pro van Strafvordering (hierna: Sv) dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM Pro (en artikel 14 lid 1 IVBPR Pro) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.3 De klachten van verzoeker zijn in de eerste plaats gericht tegen de beslissing van mrs. Maanicus, Van Linschoten en Van den Dungen-Dijkstra om niet over te gaan tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie. De juistheid van de beslissing kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat mrs. Maanicus, Van Linschoten en Van den Dungen-Dijkstra bij het geven van deze beslissing vooringenomen waren tegen verzoeker of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond, heeft verzoeker verder niet aangevoerd. Het enkele feit dat in het nadeel van verzoeker is beslist op een preliminair verweer is daartoe onvoldoende.
3.4 Voorts stelt verzoeker dat de rechtbank niet over had mogen gaan tot behandeling omdat het dossier enkel is gebaseerd op vermoedens. Deze grond kan eveneens niet slagen. De behandeling ter terechtzitting door de rechtbank is er juist voor bedoeld om te beoordelen of voldoende bewijzen aanwezig zijn om tot een bewezenverklaring te komen. Het beginnen met het onderzoek ter zitting kan er dan ook niet toe leiden dat sprake is van vooringenomenheid van de rechters.
3.5 Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beschikking is gegeven door de mrs. M.C.G.J. van Well, voorzitter, E.M. Vermeulen en J.J.H. van Laethem in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.M.B. van Eeten en in openbaar uitgesproken op 29 maart 2012.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.