ECLI:NL:RBARN:2012:BW7461
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bestuurders voor faillissement wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur bij dividenduitkering
De curator van het faillissement van een besloten vennootschap vordert hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:248 lid 1 BW Pro en artikel 2:11 BW Pro. De vordering is gebaseerd op het feit dat het dividendbesluit en de uitkering zijn genomen terwijl de vrije reserves niet reëel waren vanwege dubieuze debiteuren en dat het dividend deels is gefinancierd met leningen, waardoor de vermogenspositie van de vennootschap werd aangetast.
De rechtbank stelt vast dat op papier voldoende vrije reserves aanwezig waren, maar dat de post overige reserves een onjuist beeld gaf omdat bekend was dat een aanzienlijk deel van de debiteurenproblematisch was. De dividenduitkering werd deels gefinancierd door een lening van een derde partij, wat aangeeft dat de vennootschap niet over voldoende liquide middelen beschikte. Hierdoor werd de liquiditeit, solvabiliteit en leencapaciteit van de vennootschap verslechterd.
De rechtbank oordeelt dat het handelen van de bestuurders niet door een redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou zijn verricht en dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur is. Dit onbehoorlijk bestuur was een belangrijke oorzaak van het faillissement. De aansprakelijkheid van de bestuurders staat daarmee vast. De rechtbank houdt verdere beslissing aan en geeft partijen gelegenheid hun standpunten over matiging nader toe te lichten.
Uitkomst: Bestuurders zijn aansprakelijk voor het faillissement wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur door het uitkeren van dividend op basis van niet-reële cijfers.