ECLI:NL:RBARN:2012:BX6165
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betaling gevorderd na opzegging lening door Deutsche Bank niet in strijd met overeenkomst
De zaak betreft een vordering van Deutsche Bank Nederland N.V. tegen een wederpartij tot betaling van een bedrag van ruim 3,6 miljoen euro, vermeerderd met rente en kosten, na opzegging van een kredietfaciliteit die in juli 2009 was overeengekomen als voortzetting van een eerdere kredietrelatie met ABN AMRO Bank.
De wederpartij betwist onder meer dat Deutsche Bank zijn contractspartij is geworden na de juridische splitsing binnen ABN AMRO, en voert diverse verweren aan, waaronder dwaling en schending van de zorgplicht door Deutsche Bank. De rechtbank oordeelt dat de juridische splitsing en naamswijziging voldoende zijn toegelicht en dat Deutsche Bank terecht als contractspartij wordt aangemerkt.
De rechtbank verwerpt de verweren van de wederpartij, waaronder het beroep op dwaling en het betoog dat Deutsche Bank onredelijk heeft gehandeld door de kredietfaciliteit op te zeggen. De opzegging wordt geacht niet in strijd te zijn met de overeenkomst van juli 2009, mede omdat de wederpartij niet tijdig aan zijn aflossingsverplichtingen voldeed en er geen bindende verlengingsovereenkomst bestond.
De vordering van Deutsche Bank wordt toegewezen, terwijl de reconventionele vordering van de wederpartij wegens schending van de zorgplicht wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De wederpartij wordt veroordeeld in de proceskosten en beslagkosten. Het vonnis is uitgesproken door mr. J.D.A. den Tonkelaar op 8 augustus 2012.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de wederpartij tot betaling van € 3.694.919,82 plus rente en kosten aan Deutsche Bank en wijst de tegenvordering af.