ECLI:NL:RBARN:2012:BX7884
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering werknemer tegen ontslag wegens financiële redenen ondanks gegrondverklaring bezwaar
De werknemer was sinds 2002 in dienst als conciërge bij de Stichting en werd ontslagen wegens financiële redenen, mede door afbouw van loonkostensubsidie. De werknemer tekende bezwaar aan bij de Commissie van Beroep, die het beroep gegrond verklaarde omdat de werkgever onvoldoende inspanningen had verricht om herplaatsing te realiseren.
De werknemer stelde primair dat de uitspraak van de Commissie bindend was en de arbeidsovereenkomst daardoor nog bestond, en subsidiair dat het ontslag kennelijk onredelijk was op grond van artikel 7:681 BW Pro. De kantonrechter oordeelde dat uitspraken van de Commissie niet zonder ondubbelzinnige overeenkomst bindend zijn en dat het arbeidsrecht een gesloten stelsel kent, waardoor de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig was beëindigd.
Bij de belangenafweging werd meegewogen dat de werknemer 51 jaar was, weinig opleiding had en het lastig zou zijn ander werk te vinden, maar ook dat de Stichting financieel zwaar belast was en passende ondersteuning had geboden. De kantonrechter concludeerde dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was en dat de werknemer geen recht had op schadevergoeding of loonbetaling na ontslag.
De vorderingen van de werknemer werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt dat een gegrondverklaring van een Commissie niet automatisch leidt tot herstel van de arbeidsovereenkomst en dat financiële omstandigheden en inspanningen van de werkgever zwaar wegen bij ontslagrechtelijke beoordeling.
Uitkomst: De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemer af en bevestigt het rechtsgeldige ontslag wegens financiële redenen.