ECLI:NL:RBARN:2012:BY4760

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
13 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/2637
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 8:15 AwbArt. 8:16 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter in belastingzaak wegens ontbreken objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die zijn belastingzaak behandelde, stellende dat de rechter niet onafhankelijk en onpartijdig was. Hij wees op de aanwezigheid van extra medewerkers van de Belastingdienst tijdens de zitting, vermeende onvoldoende dossierkennis van de rechter, nevenfuncties die schijn van partijdigheid wekten, het negeren van schriftelijk bewijsmateriaal en buitenproportionele vragen over invaliditeit.

De rechter verweerde zich door te stellen dat de aanwezigheid van medewerkers van de Belastingdienst toegestaan is, dat zij het dossier wel degelijk begreep ondanks de omvang, dat haar nevenfuncties geen relatie hadden met de Belastingdienst, dat zij geen bewijsmateriaal had genegeerd en dat haar vragen relevant waren voor de zaak.

De rechtbank overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen uitzonderlijke omstandigheden een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid kunnen rechtvaardigen. De aangevoerde gronden betroffen volgens de rechtbank vooral verschillen in waardering en procedurele aspecten die onvoldoende zijn om vooringenomenheid aan te nemen.

Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen. De rechtbank achtte het verzoek tijdig ingediend en wees op het belang van het vertrouwen in de onpartijdigheid van de rechterlijke macht.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ARNHEM
Wrakingskamer
zaaknummer: AWB 12/2637
Beschikking van 13 november 2012
inzake
[verzoeker tot wraking],
wonende te [woonplaats]
verzoeker tot wraking,
en
[rechter]
in haar hoedanigheid van rechter in het geding tussen verzoeker en de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Zwolle (zaaknummer AWB 12/2637).
Partijen worden hierna ook aangeduid als verzoeker respectievelijk de rechter.
1. De procedure
1.1. Bij brief van 11 oktober 2012 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter.
1.2. Bij brief van 22 oktober 2012 heeft de rechter aangegeven niet in de wraking te berusten en heeft zij haar zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet.
1.3. Op 30 oktober 2012 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verzoeker is daarbij verschenen en heeft het verzoek mondeling toegelicht. De rechter is niet verschenen.
1.4. Ten slotte is de beslissing bepaald op heden.
2. De ontvankelijkheid van verzoeker
2.1. Volgens artikel 8:16 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De rechtbank constateert dat de zitting waar het wrakingsverzoek op ziet heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2012. Het wrakingsverzoek dateert van 11 oktober 2012 en is op 15 oktober 2012 door de rechtbank ontvangen.
2.2. Verzoeker heeft uiteengezet dat hij tijdens de zitting van 1 oktober 2012 al overwoog om de rechter te wraken, maar hiertoe niet is overgegaan omdat hij geen kennis had van de te volgen procedure. Hij heeft naar eigen zeggen een dag later telefonisch contact opgenomen met de griffie van de sector bestuursrecht van de rechtbank om hiernaar te informeren. De betreffende medewerker heeft hem toen verteld dat hij een wrakingsverzoek kon indienen zolang er nog geen uitspraak is gedaan. Verzoeker heeft hierop verzocht hem het proces-verbaal van de zitting zo spoedig mogelijk te doen toekomen, zodat hij aan de hand van dat proces-verbaal een wrakingsverzoek kon opstellen en indienen. Wegens bezorgproblemen bij de post heeft verzoeker dit proces-verbaal echter pas op 9 oktober 2012 ontvangen. Na ontvangst van het proces-verbaal is verzoeker (vrijwel) onmiddellijk begonnen met het opstellen van het wrakingsverzoek, welk verzoek hij op donderdag 11 oktober 2012 heeft verzonden.
2.3. De rechtbank is, gelet op de hiervoor door verzoeker uiteengezette gang van zaken, van oordeel dat het verzoek tijdig is gedaan. Het is begrijpelijk dat verzoeker, die in het geding niet werd bijgestaan door een raadsman, eerst informatie wilde inwinnen over de wrakingsprocedure en het proces-verbaal van de zitting wilde afwachten alvorens over te gaan tot het indienen van een wrakingsverzoek. De tijd die daarmee is verstreken, die overigens mede is veroorzaakt door buiten de schuld van verzoeker liggende bezorgproblemen bij de post, is niet zo lang dat daarmee het recht op een inhoudelijke behandeling van het verzoek is verspeeld. Onder deze omstandigheden kan verzoeker in het verzoek worden ontvangen.
3. Het wrakingsverzoek en het verweer
3.1. Verzoeker stelt in het schriftelijke wrakingsverzoek dat de rechter ter zitting van 1 oktober 2012 zowel objectief als subjectief zijn zaak niet onafhankelijk en onpartijdig heeft behandeld. Hij voert daartoe - samengevat - het volgende aan:
- verzoeker is door de rechter voorafgaand aan de zitting niet geïnformeerd over het feit dat er twee extra medewerkers van de Belastingdienst Zwolle aanwezig zouden zijn tijdens de zitting, hetgeen wel had gemoeten. De rechter heeft op het bezwaar van verzoeker hiertegen geen actie ondernomen en heeft één van de betreffende medewerkers zelfs actief laten deelnemen aan het proces;
- de rechter had geen goede kennis van het gehele dossier en was niet in staat het dossier dusdanig goed te begrijpen om goed recht te kunnen spreken;
- de nevenfuncties van de rechter (docent Masterclass Uitspraken Schrijven Belastingzaken bij de SSR en medewerker aan de module fiscaal procesrecht bij de Federatie van Belastingadviseurs) wekken de schijn van partijdigheid bezien in het licht van de wijze van vraagstelling en opmerkingen tijdens de zitting;
- de rechter negeerde tijdens de zitting schriftelijk bewijsmateriaal;
- de rechter stelde tijdens de zitting buitenproportionele en niet ter zake doende vragen over de invaliditeit van verzoeker en zijn echtgenote.
3.2. De rechter voert verweer en stelt hiertoe het volgende:
- de regeling om een getuige aan te kondigen voorafgaand aan de zitting geldt niet voor gevallen als deze, omdat de twee meegekomen medewerkers van de Belastingdienst geen derden zijn die als getuige zijn opgeroepen, maar personen die namens de Belastingdienst (partij bij de zaak) aanwezig waren. Dit gebeurt wel vaker en is ook toegestaan. Iedereen die aanwezig is als partij mag desgevraagd iets zeggen over wat hem bekend is over de zaak;
- zij heeft inderdaad tijdens de zitting gezegd dat het een omvangrijk dossier betrof en dat ze niet alle bijlagen heel precies heeft kunnen bestuderen, omdat er veel stukken bij zaten waarvan niet duidelijk was wat de relevantie was. Om goed te kunnen begrijpen wat verzoeker wilde betogen en waarom heeft ze daarom tijdens de zitting samen met verzoeker de voor hem belangrijke bijlagen doorgenomen;
- de nevenfuncties zijn geen aanleiding voor toewijzing van het wrakingsverzoek, omdat er geen enkele nevenfunctie is die te maken heeft met de Belastingdienst;
- zij kan de stelling niet plaatsen dat ze door haar vraagstelling en opmerkingen ter zitting de indruk heeft gewekt dichter bij de Belastingdienst te staan. Wel heeft ze aan verzoeker uitgelegd dat hij, gelet op het dossier, geen sterke zaak heeft, maar dit maakt haar nog niet partijdig.
- zij weerspreekt de stelling dat zij schriftelijk bewijsmateriaal heeft genegeerd. Hier is ter zitting lang over gesproken, juist omdat verzoeker hierin heel vasthoudend was en in de stukken toezeggingen las die zij er niet in zag staan;
- haar vragen over de invaliditeit waren niet buitenproportioneel of niet ter zake doende, maar waren er op gericht om duidelijkheid te krijgen over de vraag of recht op aftrek voor beddengoed bestond.
4. De beoordeling
4.1. Allereerst overweegt de rechtbank het navolgende. Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker aan de door hem in het schriftelijke wrakingsverzoek aangevoerde gronden nog nadere gronden toegevoegd die zien op de wijze waarop hij ter zitting van 1 oktober 2012 door de rechter is bejegend. Volgens artikel 8:16 lid 3 Awb Pro moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. Uit die bepaling in samenhang met lid 4 volgt dat alleen nieuwe feiten en omstandigheden, die aan verzoeker pas nadat hij het wrakingsverzoek heeft gedaan, bekend zijn geworden, nog een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het wrakingsverzoek. Nu hiervan geen sprake is kan met deze gronden dan ook geen rekening worden gehouden.
4.2. Gelet op artikel 8:15 Awb Pro dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van Pro het (Europees) Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
De onpartijdigheid van de rechter moet worden beoordeeld aan de hand van een subjectieve toets, waarbij het gaat om de persoonlijke overtuiging van een bepaalde rechter in een bepaalde zaak, en aan de hand van een objectieve toets, waarbij moet worden vastgesteld of de rechter voldoende waarborgen bood om iedere gerechtvaardigde twijfel te zijnen opzichte uit te sluiten. Wat laatstgenoemde toets betreft, kan zelfs schijn van belang zijn. Het gaat om het vertrouwen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving het publiek moet inboezemen. De vrees voor partijdigheid moet wel objectief gerechtvaardigd geacht kunnen worden.
4.4. Voor de conclusie dat sprake is voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, is dus niet voldoende dat de rechter een volgens verzoeker onjuiste beslissing heeft genomen, dat de rechter een andere waardering geeft aan (onderdelen van het) dossier dan verzoeker, dan wel dat de zitting is verlopen op een voor verzoeker onverwachte wijze. Drie van de gronden die verzoeker heeft aangevoerd, betreffen echter juist dergelijke omstandigheden, te weten:
- dat zij heeft toegestaan dat twee extra medewerkers van de Belastingdienst ter zitting aanwezig waren en dat één van hen zelfs actief bij de zitting betrokken was;
- dat de rechter schriftelijk bewijsmateriaal negeerde;
- dat haar vragen over zijn invaliditeit en die van zijn echtgenote buitenproportioneel en irrelevant waren.
Uit de reactie van de rechter volgt dat het mogelijk is dat de Belastingdienst zich ter zitting door meer personen laat vertegenwoordigen, dat zij voorshands een andere waardering aan het schriftelijke bewijsmateriaal gaf dan verzoeker en dat zij de vragen over verzoekers invaliditeit relevant achtte voor de beoordeling van de haar voorgelegde kwestie.
Deze omstandigheden rechtvaardigen verzoekers vrees voor vooringenomenheid dus niet.
Dat de rechter docent is bij de SSR, het opleidingsinstituut voor de rechterlijke macht, en dat zij mee heeft gewerkt aan een opleiding over fiscaal procesrecht bij de Federatie van Belastingadviseurs, doet dat evenmin. Geen van beide instituten betreffen de Belastingdienst.
Tussen verzoeker en de rechter bestaat ten slotte enig verschil in waardering van de dossierkennis van de rechter (volgens verzoeker kende zij het dossier niet goed; volgens de rechter was het dossier onoverzichtelijk gepresenteerd terwijl niet van alles duidelijk was wat de relevantie was). Wat daar verder ook van zij, ook deze omstandigheid rechtvaardigt niet de objectief gerechtvaardigde vrees dat de rechter vooringenomen zou zijn.
4.5. Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J. Vierveijzer (voorzitter), H.P.M. Kester-Bik en A.E.B. ter Heide, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.B. Wichman en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2012.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.