RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 11/5476
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 29 november 2012.
[V.O.F.], eiseres,
gevestigd te [vestigingsplaats], vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Stoop,
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 11 november 2011, uitgereikt door het UWV te Alkmaar.
Bij besluit van 2 augustus 2011 heeft verweerder aan [werkneemster] (hierna te noemen: werkneemster) met ingang van 18 mei 2011 een uitkering ingevolge artikel 29a van de Ziektewet (ZW) toegekend op basis van een dagloon van € 9,83.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 2 augustus 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard en het dagloon van werkneemster vastgesteld op € 17,34. Voor het overige heeft verweerder het besluit van 2 augustus 2011 gehandhaafd.
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 juni 2012. Namens eiseres is aldaar verschenen [naam], bijgestaan door D. van Embden van het accountantskantoor dat de zaken van eiseres behartigt. De gemachtigde van eiseres mr. S.J.M. Stoop, advocaat te Tilburg, is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Diekema, werkzaam bij het UWV, kantoor Arnhem. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Verweerder heeft een stuk ingebracht en zijn standpunt nader toegelicht. Eiseres heeft hierop gereageerd.
Partijen hebben toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Van 15 maart 2011 tot en met 15 september 2011was werkneemster in dienst bij eiseres.
Voorafgaand aan het dienstverband ontving werkneemster een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de werkneemster vanaf 18 mei 2011 arbeidongeschikt was als gevolg van zwangerschapsgerelateerde klachten en dat de werkneemster daarom recht op ziekengeld had overeenkomstig artikel 29a van de ZW.
Ter zitting is door eiseres gesteld dat de werkneemster wegens psychische klachten is uitgevallen en dat die klachten niet verband houden met de zwangerschap van werkneemster, maar met de reden waarom zij een Wajong-uitkering ontving.
Verweerder heeft vervolgens een rapport van verzekeringsarts R.W. Reddingius van 28 juli 2011 overgelegd. Uit dit rapport blijkt dat de verzekeringsarts de werkneemster wegens rugklachten, verbandhoudend met de zwangerschap, ongeschikt acht voor haar arbeid. Werkneemster kan het staan/lopen in de winkel niet volhouden, en haar belastbaarheid is met name beperkt op zitten/staan/lopen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met dit rapport voldoende onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid van werkneemster verband hield met de zwangerschap. Dat in het rapport van de verzekeringsarts is vermeld dat de werkneemster ook nog last had van misselijkheid vanwege angsten en pankiekaanvallen doet daar niet aan af. Eiseres heeft geen (medische) informatie overgelegd die twijfel doet rijzen aan de beoordeling door de verzekeringsarts.
Eiseres heeft aangevoerd dat ten aanzien van de werkneemster de zogenaamde “no-riskpolis” van toepassing is en dat zij daarom recht heeft op ziekengeld overeenkomstig artikel 29b van de ZW.
De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. In het verweerschrift heeft verweerder er terecht op gewezen dat het recht van de werkneemster op ziekengeld zijn grondslag vindt in artikel 19, tweede lid, van de ZW, en dat dit als lex specialis ten opzichte van artikel 19, eerste lid, van de ZW moet worden aangemerkt. Gevolg daarvan is dat het ziekengeld overeenkomstig artikel 29a van de ZW moet worden vastgesteld.
De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat deze uitkomst in strijd is met de bedoeling van artikel 29b van de ZW. Die bedoeling is immers om het arbeidsongeschiktheidsrisico van werknemers met een arbeidshandicap te compenseren, terwijl in het onderhavige geval de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster niet voortkomt uit haar arbeidshandicap, maar uit haar zwangerschap.
Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2012.
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: 29 november 2012.