ECLI:NL:RBARN:2012:BY6573
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- N.W. Huijgen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot aanhouding of verwijzing naar Duitse rechter in CMR-zaak
In deze civiele procedure tussen Greving Europa B.V. c.s. en Schenker B.V. c.s. vordert Schenker B.V. c.s. incidenteel dat de rechtbank de procedure aanhoudt of verwijst naar het Landgericht Münster in Duitsland. Dit naar aanleiding van een bodemprocedure die Schenker B.V. op 20 juni 2012 bij het Duitse gerecht heeft aanhangig gemaakt.
De rechtbank overweegt dat op de overeenkomst tussen partijen het CMR-verdrag van toepassing is, omdat het gaat om internationaal wegvervoer van goederen tussen Nederland en Denemarken. Artikel 31 CMR Pro regelt de bevoegdheid van de rechter bij conflicterende procedures. Schenker B.V. c.s. beroept zich op Duitse jurisprudentie die stelt dat een verklaring voor recht geen vordering is in de zin van artikel 31 CMR Pro.
De rechtbank volgt dit standpunt niet en verwijst naar vaste Nederlandse jurisprudentie dat artikel 31 CMR Pro ook geldt voor verklaringen voor recht omtrent aansprakelijkheid. Omdat de hoofdzaak in Nederland eerder is ingesteld dan de Duitse procedure, is er geen aanleiding tot aanhouding of verwijzing. De incidentele vordering wordt afgewezen en Schenker B.V. c.s. worden veroordeeld in de proceskosten van het incident.
De zaak wordt voortgezet met een rolzitting op 2 januari 2013 voor conclusie van antwoord.
Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vordering tot aanhouding of verwijzing af en veroordeelt Schenker B.V. c.s. in de proceskosten.