ECLI:NL:RBASS:2001:AB0723
Rechtbank Assen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding redelijke termijn in strafzaak
In deze strafzaak heeft het openbaar ministerie op 8 juni 1994 gevorderd een gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte in te stellen. De termijn van vervolging en berechting vangt aan op 16 juni 1994, de datum van de huiszoeking. De zaak is uiteindelijk pas op 21 maart 2001 behandeld, wat een periode van ruim 6 jaar en 9 maanden betreft.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van 2 jaar voor berechting in eerste aanleg aanzienlijk is overschreden. Hoewel de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de verdediging een deel van de vertraging kunnen verklaren, zijn er meerdere perioden waarin onvoldoende voortvarendheid is betracht. Dit betreft onder meer de periode tussen huiszoeking en eerste verhoor, de periode tussen sluiting proces-verbaal en gerechtelijk vooronderzoek, de duur van het gerechtelijk vooronderzoek zelf en de periode tussen sluiting gerechtelijk vooronderzoek en de zitting.
De rechtbank concludeert dat meer dan 2 jaar van de totale termijn niet kan worden gerechtvaardigd door de complexiteit of het procesverloop. Gezien de uitzonderlijke overschrijding en het belang van een redelijke termijn, weegt het belang van verdachte bij een tijdige berechting zwaarder dan het belang van de gemeenschap bij vervolging. Daarom verklaart de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Assen op 21 maart 2001.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens uitzonderlijke overschrijding van de redelijke termijn.