ECLI:NL:RBASS:2001:AD4747
Rechtbank Assen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis uit 1950 en geldigheid oproeping verdachte
De rechtbank Assen behandelde het verzet van verdachte tegen een verstekvonnis uit 1950, waarbij verdachte destijds tot de doodstraf (later levenslang) werd veroordeeld. Verdachte was sinds 1946 voortvluchtig, waardoor hij niet persoonlijk was opgeroepen voor de zitting in 1950. Pas in 2001 werd verdachte via zijn Duitse advocaat op de hoogte gesteld van het vonnis en het openstaande rechtsmiddel.
De rechtbank oordeelde dat het verzet tijdig was ingesteld, omdat de termijn van 14 dagen pas begon te lopen vanaf het moment dat verdachte of zijn advocaat op de hoogte waren van het niet-onherroepelijke vonnis. Hierbij werd rekening gehouden met artikel 6 EVRM Pro, dat een praktische en effectieve mogelijkheid tot verzet vereist.
Verder verwierp de rechtbank het verweer dat de oproeping van verdachte niet geldig was omdat deze niet in de vorm van een dagvaarding was geschied, geen informatie over rechten bevatte en niet in het Duits was gesteld. De rechtbank vond dat de oproeping voldoende was om verdachte te informeren over tijd en plaats van de zitting, mede omdat verdachte rechtsbijstand genoot. Het verzoek tot aanhouding van de zaak werd afgewezen voor zover het de ontvankelijkheid betrof.
De rechtbank stelde dat verdachte recht heeft op een nieuwe procedure waarin hij zijn verdedigingsrechten kan uitoefenen, gelet op de ingrijpende straf en het ontbreken van verdediging in de oorspronkelijke procedure. De zaak zal worden voortgezet indien het verzet ontvankelijk blijft.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet ontvankelijk en oordeelt dat de oproeping van verdachte rechtsgeldig was.