ECLI:NL:RBASS:2001:AD7523
Rechtbank Assen
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. de Wildt
- A.T. de Kwaasteniet
- G.H. Morsink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bestuursrechtelijk geschil over aflossingsbedrag bij terugvordering bijstand
Eiser maakte bezwaar tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Assen vastgestelde maandelijkse aflossingsbedrag van ƒ 325,-- voor terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand. De rechtbank stelde vast dat het primaire terugvorderingsbesluit op 15 november 2000 was bekendgemaakt, waardoor zij als bestuursrechter bevoegd was het geschil te behandelen.
De rechtbank overwoog dat de woorden "ten aanzien van" in artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten restrictief moeten worden uitgelegd, waardoor alleen besluiten die vóór de inwerkingtreding van de Wet Boeten bekend zijn gemaakt onder die bepaling vallen. Besluiten die daarop voortbouwen maar later zijn genomen vallen daar niet onder.
De rechtbank beoordeelde vervolgens de berekening van het aflossingsbedrag en concludeerde dat verweerder dit redelijk had vastgesteld op ƒ 325,-- per maand, ondanks dat eiser stelde dat het bedrag te hoog was en de berekening onjuist. De rechtbank verwierp het beroep en oordeelde dat de hoogte van de restantschuld niet aan de orde was in dit geding.
Ten slotte verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij proceskostenveroordeling af. Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde aflossingsbedrag van ƒ 325 per maand wordt ongegrond verklaard.