ECLI:NL:RBASS:2006:AX6721

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
30 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
19.810010-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 14d Sr
Verwijzingen
20 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor drugshandel en wapenbezit met gecombineerde vrijheidsstraf en taakstraffen

De rechtbank Assen heeft op 30 mei 2006 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte die werd verdacht van handel in cocaïne en het bezit van verboden wapens. De tenlastelegging omvatte vier feiten, waarvan feit 3 nietig werd verklaard wegens onvolledige omschrijving.

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte tussen december 2005 en februari 2006 cocaïne heeft verhandeld, op 28 februari 2006 een doorgeladen pistool en munitie bezat, en een wapenstok droeg. De periode van bewezenverklaring was korter dan door het Openbaar Ministerie gesteld, wat leidde tot een lagere straf dan geëist.

De straf bestaat uit een gevangenisstraf van 211 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, een werkstraf van 240 uur, een leerstraf van 48 uur (Goldsteintraining) en een geldboete van €150. De voorwaardelijke straf is gekoppeld aan reclasseringstoezicht. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden, en de persoonlijke situatie van de verdachte.

De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht werd in mindering gebracht op de opgelegde straf. De uitspraak weerspiegelt een zorgvuldige afweging van straf en maatregel gericht op resocialisatie en recidivepreventie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 211 dagen gevangenisstraf waarvan 120 dagen voorwaardelijk, 240 uur werkstraf, 48 uur leerstraf en een geldboete van €150.

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN
STRAFVONNIS van de Meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1968,
wonende [woonplaats verdachte],
verblijvende in [verblijfplaats verdachte].
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 16 mei 2006.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen.
De officier van justitie mr. B.D. van der Burg acht hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:
* 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijke, proeftijd 2 jaren met bijzondere voorwaarde.
1. TENLASTELEGGING
De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 28 februari 2006 te Hoogeveen en/of te Zuidwolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in elk geval een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 28 februari 2006 te Zuidwolde, gemeente de Wolden een wapen van categorie III, te weten een (doorgeladen) pistool merk Rohm, kaliber 6.35 mm en/of munitie voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 28 februari 2006 te Hoogeveen, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;
4.
hij op of omstreeks 28 februari 2006 te Hoogeveen en/of te Zuidwolde, gemeente De Wolden, althans in Nederland een wapenstok, zijnde een wapen van de categorie IV van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen;
Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.
2. GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING
In het onder 3 ten laste gelegde feit wordt het voorwerp waarop de verdere omschrijving betrekking heeft niet genoemd. De rechtbank zal de dagvaarding met betrekking tot dit feit nietig verklaren.
3. BEWIJSMIDDELEN
Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.
4. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 1 december 2005 tot en met 28 februari 2006 in Nederland, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij op 28 februari 2006 te Zuidwolde, gemeente de Wolden een wapen van categorie III, te weten een doorgeladen pistool merk Rohm, kaliber 6.35 mm en munitie voorhanden heeft gehad;
4.
hij op 28 februari 2006 te Zuidwolde, gemeente De Wolden, een wapenstok, zijnde een wapen van de categorie IV van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen;
De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De verdachte zal van het onder 1, 2 en 4 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
5. KWALIFICATIES
Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:
onder 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
strafbaar gesteld bij artikel 10 van Pro de Opiumwet;
onder 2:
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie,
telkens strafbaar gesteld bij artikel 55 van Pro de Wet Wapens en Munitie;
onder 4:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie,
strafbaar gesteld bij artikel 54 van Pro de Wet Wapens en Munitie.
6. STRAFBAARHEID
De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.
7. STRAFMOTIVERING
De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking:
- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;
- de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan;
- hetgeen de rechtbank is gebleken omtrent de persoon van de verdachte;
- het requisitoir van de officier van justitie;
- het pleidooi van de raadsman van verdachte;
- de oriëntatiepunten voor de straftoemeting;
- de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 02 maart 2006, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld;
De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden is.
De straf die de rechtbank zal opleggen, is lager dan de officier van justitie heeft geëist. Dit vindt zijn oorzaak in belangrijke mate in het feit dat de rechtbank bij de bewezen-verklaring van feit 1 is uitgegaan van een aanzienlijk kortere periode (en daarmee samenhangend met een aanzienlijk kleinere hoeveelheid verhandelde cocaïne) dan de officier van justitie. Voorts wordt de dagvaarding met betrekking tot feit 3 nietig verklaard en betreft feit 4 een overtreding en geen misdrijf.
De rechtbank zal de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijkstellen aan die van het voorarrest. Maar gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 en met het oog op voorkoming van recidive, zal daarnaast een werk- en een leerstraf worden opgelegd, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.
De rechtbank heeft bij het vaststellen van de op te leggen geldboete voor het vierde feit rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, in de mate waarin de rechtbank dat nodig acht met het oog op een passende bestraffing van de verdachte.
8. TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN
De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 27, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht.
9. BESLISSING VAN DE RECHTBANK
De rechtbank verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.
De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot
- gevangenisstraf voor de duur van 211 dagen waarvan een gedeelte groot 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Assen, zolang deze instelling zulks nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
- een taakstraf bestaande uit 240 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast;
- een taakstraf bestaande uit 48 uren leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject, inhoudende de Goldsteintraining, met bevel dat, voor het geval de verdachte deze leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 24 dagen zal worden toegepast;
Ten aanzien van feit 4:
een geldboete ten bedrage van ? 150,00 met bevel dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 3 dagen zal worden toegepast;
De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter en mr. H. de Wit en mr. N.R. Boonstra, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 30 mei 2006.-