ECLI:NL:RBASS:2007:BC6733
Rechtbank Assen
- Kort geding
- M.C.D. Boon-Niks
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid voorzieningenrechter bij keuze aanvaarding nalatenschap in kort geding
In deze kortgedingprocedure vorderen eisers dat aan een mede-erfgenaam een termijn wordt gesteld om te kiezen voor aanvaarding of verwerping van de nalatenschap van hun grootvader. Tevens wordt gevorderd dat bij uitblijven van medewerking een machtiging wordt verleend om mede namens hem de nalatenschap af te wikkelen, en subsidiair dat een vereffenaar wordt benoemd.
De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 4:192 lid 2 BW Pro een bijzondere rechtsgang biedt voor het stellen van een termijn door de kantonrechter. In dit kort geding kan echter niet de primaire vordering worden toegewezen omdat bij niet-naleving alleen een dwangsom volgt en niet de veronderstelling van zuivere aanvaarding, zoals bij de verzoekschriftprocedure. De primaire vorderingen tot machtiging en veronderstelling van toestemming worden afgewezen omdat gedaagde nog geen keuze heeft gemaakt.
De subsidiaire vordering tot benoeming van een vereffenaar wordt eveneens afgewezen omdat hiervoor een aparte verzoekschriftprocedure bestaat onder artikel 4:204 lid 1 BW Pro, die niet is doorlopen. Omdat gedaagde niet is verschenen en geen kosten heeft gemaakt, wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
De voorzieningenrechter verklaart zich dus onbevoegd ten aanzien van de primaire vordering tot het stellen van een termijn en wijst de overige vorderingen af.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd voor de primaire vordering en wijst de overige vorderingen af.