Artikel 2.29.5 ARW 2005 luidt: ‘De aanbesteder stelt de inschrijvers zo spoedig mogelijk gelijktijdig schriftelijk in kennis van de beslissingen die op grond van de artikelen 2.29.1 tot en met 2.29.4 zijn genomen inzake de gunning van de opdracht. Deze mededeling bevat ten minste de gronden van de gunningsbeslissing, waaronder de kenmerken en de voordelen van de uitgekozen inschrijving, en van de naam van de begunstigde’.
Artikel 2.30.3 ARW 2005 luidt: ‘Indien binnen 15 dagen na verzending van de mededeling, bedoeld in artikel 2.29.5, een kort geding aanhangig is gemaakt tegen de gunningsbeslissing van de aanbesteder, mag de aanbesteder niet overgaan tot gunning van de opdracht, voordat in kort geding vonnis is gewezen, tenzij een zwaarwegend belang onverwijlde gunning gebiedt’.
k. Bij brief van 9 oktober 2007 heeft de Combinatie geprotesteerd. Aangevoerd is dat er ernstige twijfel bestaat of MFE wel aan de criteria voldoet. Verzocht is om een motivering van het besluit, specifiek op de punten 5.7.3 en 5.7.vd van het Bestek 1382 (productie 1b).
l. Daarop is telefonisch contact gevolgd van de Combinatie met ambtenaar Paes van de Provincie. In dat contact is gediscussieerd over de vraag of MFE wel een doorstartend bedrijf is dat een beroep mag doen op referenties van het voorgaande bedrijf en door dat bedrijf uitgevoerd(e) werk(en).
m. Op 18 oktober 2007 heeft de Combinatie de Provincie gedagvaard in kort geding bij de voorzieningenrechter.
Gevorderd is dat de voorzieningenrechter bepaalt:
1. dat MFE een ongeldige inschrijving heeft gedaan en dat (daarmee)
de Combinatie voor de laagste prijs heeft ingeschreven;
2. dat de Provincie de inschrijving van de Combinatie niet mag passeren en haar zonodig toestaat dat zij aanvullende bewijsstukken inbrengt;
3. dat de Provincie, als zij tot gunning overgaat, de Combinatie het werk gunt.
n. Bij brief van 1 november 2007 heeft de Provincie alle inschrijvers meegedeeld dat zij heeft besloten om de aanbesteding in te trekken. Meegedeeld is dat (binnen het apparaat van de Provincie) de aanbestedingsprocedure is bestudeerd en dat is gebleken dat daaraan zodanig wezenlijke gebreken kleven (gebrek aan transparantie en non-discriminatie) dat het niet mogelijk is deze voort te zetten (productie 6).
De grootste gebreken zijn volgens deze brief:
a. de geschiktheidseisen zijn tijdens de procedure wezenlijk gewijzigd doordat de ervaringseis is teruggeschroefd van 60 procent naar 50 procent, terwijl de omzeteis is verlaagd van 150 naar 125 procent;
b. de referteperiode van de omzeteis is verlengd van drie naar vijf jaar;
c. de ervaringseis is in die zin gewijzigd dat deze niet meer volledig overeenkomt met de oorspronkelijk gestelde eis;
d. van deze versoepelingen is wel mededeling gedaan op de website www.aanbestedingskalender.nl maar niet op de website waar de aanbesteding ook was gepubliceerd: www.ted.europa.eu..
o. Tegenover de Combinatie is toegevoegd dat naar aanleiding van de dagvaarding de inschrijving van MFE nog eens nauwgezet is gecontroleerd. Op basis daarvan is geconcludeerd dat het werk niet aan MFE kan worden gegund en dat dit is meegedeeld aan MFE.
p. Bij de brief is ten slotte nog meegedeeld dat wordt bestudeerd of tot heraanbesteding zal worden overgegaan.
De Provincie heeft tegenover de rechtbank verklaard dat dit het geval zou zijn. Het plan was om het bestek te splitsen naar twee bestekken: één voor de onderbouw en één voor de bovenbouw. Dit in de hoop dat meer/andere inschrijvers zich zouden melden. De verwachting/hoop was dat de procedures tijdig konden worden doorlopen om het werk gereed te doen zijn vóór afloop van de fatale subsidietermijn.
q. De Combinatie heeft in de brief van 1 november 2007 geen aanleiding gezien om de dagvaarding in te trekken. Wel heeft zij haar eisen gewijzigd.
Zij heeft subsidiair gevorderd dat als de voorzieningenrechter van oordeel zou zijn dat de Provincie het werk opnieuw mag aanbesteden, dan moet worden gelast dat dit openbaar geschiedt dan wel dat zij tijdig wordt uitgenodigd zich ook in te schrijven, met een veroordeling van de Provincie in de tot dan nodeloze calculatiekosten voor de eerste aanbesteding, ofwel een tegemoetkoming voor de extra kosten die door de tweede aanbesteding worden gemaakt.
r. Op 9 november 2007 heeft MFE zich op dringend advies van de Provincie in het kort geding gemengd (brief van 6 november 2007, productie d onderdeel 6 conclusie van antwoord: ‘zodat er geen onoverzichtelijke situatie ontstaat’). Zij heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter haar het werk toewijst.
De Provincie heeft aangevoerd dat zij geen van de inschrijvers het werk wil gunnen. Zij heeft het standpunt verdedigd dat het niet was toegestaan om de eisen tijdens de aanbestedingsprocedure te wijzigen en dat de geschiktheidseisen strijdig waren met het transparantie-, het objectiviteits- en het non-discriminatiebeginsel en dat de wijziging van de referteperiode ook nog strijdig was met de ARW 2005. Daarbij is aanvullend ten opzichte van MFE gesteld dat deze niet aan de geschiktheidseisen voldoet omdat zij een ongeldige Model K-verklaring heeft overgelegd, omdat zij niet tijdig referenties en bewijsstukken heeft ingestuurd en omdat zij zich niet kan beroepen op ervaring van derden.
s. Bij vonnis van 28 november 2007 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat:
1. MFE aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich mag beroepen op ervaring en werken van derden gezien de uitspraak van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven van 10 maart 1995 (productie 6-2);
2. dat MFE tijdig de benodigde inlichtingen heeft verstrekt;
3. dat de ondertekening van de Model-K-verklaring door een niet-bestuurder van MFE toch voldoende is te achten;
4. dat de Provincie niet consistent is geweest bij het stellen van de omzet- en ervaringseisen en dat er inhoudelijke wijzigingen in het bestek zijn aangebracht maar dat het merkwaardig is dat geen van de inschrijvers maar alleen de Provincie hiermee problemen heeft, dat de wijzigingen ‘in een vroeg stadium van de procedure’ zijn aangebracht, dat niet is gebleken dat deze wijzigingen zijn aangebracht om een van de inschrijvers te bevoordelen, dat niet is gebleken dat derden wel zouden hebben ingeschreven na de wijzigingen, dat een en ander niet de schoonheidsprijs verdient maar dat de wijzigingen onder voornoemde omstandigheden van onvoldoende gewicht zijn om als juist te kunnen aanvaarden dat aanbesteding onvoldoende transparant is geweest.