ECLI:NL:RBASS:2010:BM0702

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
9 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
78254 / HA RK 10-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 512 SvArt. 515 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek politierechter wegens ontbreken onpartijdigheid

Verzoeker heeft de politierechter gewraakt omdat hij meende onvoldoende gelegenheid te hebben gekregen om zijn verhaal te doen over gebeurtenissen voorafgaand aan 11 december 2009. De rechter had verzoeker kort laten uitspreken over die eerdere gebeurtenissen, maar onderbrak hem toen hij wilde afwijken naar andere feiten uit 2003 en november 2009. Verzoeker stelde dat de Hoge Raad over het wrakingsverzoek moest beslissen.

De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de rechter zijn regiefunctie ter zitting uitoefende en verzoeker voldoende gelegenheid had geboden zijn standpunt toe te lichten. Er was geen sprake van een uitzonderlijke omstandigheid die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid zou rechtvaardigen. De stelling dat de Hoge Raad het wrakingsverzoek moet behandelen, werd onvoldoende onderbouwd geacht.

De wrakingskamer concludeerde dat noch de schijn van partijdigheid, noch een gebrek aan onpartijdigheid aanwezig is. Het wrakingsverzoek is daarom afgewezen en de strafzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de politierechter wordt afgewezen wegens ontbreken van onpartijdigheid.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ASSEN
Sector civiel recht
zaaknummer / rekestnummer: 78254 / HA RK 10-17
Beschikking van de meervoudige kamer op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 512 e.v. van het Wetboek van Strafvordering van 16 maart 2010
in de zaak van
[VERZOEKER],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
verschenen in persoon,
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van wraking d.d. 22 februari 2010, waaruit blijkt dat verzoeker de politierechter die de strafzaak van verzoeker behandelt, [de rechter], wenst te wraken;
- de schriftelijke reactie van [de rechter], waaruit blijkt dat hij niet berust in de wraking en niet ter zitting aanwezig kan zijn;
- de mondelinge behandeling van de wrakingskamer d.d. 2 maart 2010.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
2. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker heeft de politierechter gewraakt omdat deze hem niet de gelegenheid gaf te praten over wat er aan de gebeurtenissen op 11 december 2009 is voorafgegaan. Verzoeker heeft aangegeven dat de beslissing op het wrakingsverzoek dient te worden genomen door de Hoge Raad in Den Haag.
3. Het standpunt van [de rechter]
[de rechter] geeft in zijn reactie aan dat nadat hij met verzoeker had doorgenomen wat er op 11 december 2009 was gebeurd, verzoeker heeft verteld wat hem in hetzelfde verband in oktober 2009 ook was overkomen en dat hij hiervan aangifte had willen doen bij de politie, ook over de behandeling bij zijn aanhouding op 11 december 2009.
Toen hij wilde gaan vertellen wat er in 2003 was gebeurd en dat hij op 9 november 2009 aangifte had willen doen van georganiseerde misdaad door de overheid heeft [de rechter] zijn verhaal onderbroken en gezegd dat het die dag ging over wat er op 11 december 2009 zou zijn gebeurd. Daarop is hij gewraakt.
4. Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De Officier van Justitie heeft ter zitting aangegeven geen aanleiding te zien om het verzoek tot wraking te honoreren. De onpartijdigheid van de rechter is niet in het geding.
5. De beoordeling
5.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.
5.2. De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder r.o. 2 weergegeven leveren niet een uitzonderlijke omstandigheid op die zodanige vrees ten aanzien van deze rechter kan rechtvaardigen. Evenmin geven zij grond te vrezen dat het de gewraakte rechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van verzoekende partij de schijn van partijdigheid gewekt.
5.3. De wrakingskamer is van oordeel dat uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt dat verzoeker voldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunt en de achtergronden daarvan toe te lichten. Dat [de rechter], na hem kort de gelegenheid te hebben gegeven te praten over gebeurtenissen voorafgaand aan 11 december 2009, het daarheen trachtte te leiden de behandeling ter terechtzitting te richten op 11 december 2009 stond hem, gelet op de regiefunctie van de rechter ter zitting, vrij. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan hieruit geenszins enige partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.
5.4. Met betrekking tot de stelling van verzoeker dat de beslissing op zijn wrakingsverzoek dient te worden genomen door de Hoge Raad is de wrakingskamer van oordeel dat deze stelling onvoldoende onderbouwd is. Op grond van art. 515 Wetboek Pro van Strafvordering wordt het verzoek tot wraking behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter wiens wraking is verzocht geen zitting heeft. Uit het Wrakingsprotocol gerechthoven en rechtbanken blijkt dat het verzoek wordt behandeld door een meervoudige kamer van het gerecht in kwestie.
6. Slotsom
Op grond van het vorenstaande zal de wrakingskamer van de rechtbank het wrakingsverzoek afwijzen.
BESLISSING
De rechtbank:
1. Wijst het verzoek tot wraking af.
2. Bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
3. Beveelt dat de griffier onverwijlde mededeling van deze beslissing doet aan verzoeker, [de rechter] en het Openbaar Ministerie.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Läkamp, mr. J.J. Schoemaker en mr. K. Wentholt, bijgestaan door mr. A.J. Wassenburg-Hazelhoff, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2010 en door mr. E. Läkamp en de griffier ondertekend.