ECLI:NL:RBASS:2010:BO5166

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
29 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
80954
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet BopzArt. 37a Wet BopzArt. 38 Wet BopzArt. 48 Wet BopzArt. 426 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning machtiging voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis wegens gevaar door geestelijke stoornis

De officier van justitie verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar te verlenen. Betrokkene, die zwakbegaafd is en mogelijk een stoornis in het autisme spectrum heeft, verbleef reeds op grond van een voorlopige machtiging in het ziekenhuis. Betrokkene gaf aan het verblijf niet prettig te vinden en wilde terug naar Amsterdam om zijn leven te ordenen. Zijn advocaat stelde dat betrokkene zelf initiatieven nam om onderdak te zoeken en dat het gevaar mee zou vallen.

De rechtbank oordeelde op basis van een geneeskundige verklaring en het dossier dat de geestelijke stoornis van betrokkene nog steeds gevaar oplevert, met name door het risico op terugval in alcohol- en cannabisverslaving en grensoverschrijdend gedrag. Dit gevaar kan niet buiten het ziekenhuis worden afgewend. Betrokkene toont geen ziektebesef en heeft beperkte cognitieve vermogens, waardoor vrijwillige opname niet haalbaar is.

De rechtbank wees het verzoek van betrokkene en zijn advocaat af en verleende de machtiging tot voortgezet verblijf voor de duur van een jaar, met de mogelijkheid tot verlenging. De beschikking werd gegeven op 29 juli 2010, met een geldigheidsduur tot en met 28 juli 2011.

Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortgezet verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN
Sector Civiel
Zaaknummer 80954
Beschikking d.d. 29 juli 2010
Voortgezet verblijf
Beschikking van de tweede enkelvoudige kamer
Ontstaan en loop van het geding
Op 13 juli 2010 is ter griffie van de rechtbank ingekomen een verzoekschrift van de officier van justitie te Assen, dat betrekking heeft op:
[betrokkene],
geboren op [datum] (betrokkene).
Betrokkene verblijft gedwongen in het psychiatrisch ziekenhuis GGZ Drenthe te [plaats, op grondslag van de door de rechtbank Amsterdam op 2 februrari 2010 afgegeven voorlopige machtiging ingevolge de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).
De officier van justitie verzoekt de rechtbank te beslissen dat een machtiging tot voortzetting van het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis wordt verleend voor de duur van een jaar.
Bij het verzoek is gevoegd:
- een geneeskundige verklaring die is opgemaakt door de geneesheer-directeur
mw. W.v.d. Plas op 6 juli 2010;
- een afschrift van de aantekeningen als bedoeld in artikel 37a Wet Bopz;
- een afschrift van het behandelplan als bedoeld in artikel 38 van Pro de Wet Bopz.
De rechtbank heeft last gegeven tot toevoeging van een advocaat aan betrokkene. Het verzoekschrift en de bijlagen zijn in afschrift aan die persoon gezonden.
De rechtbank heeft betrokkene en diens advocaat mw. mr. N.D. van ‘t Zand ter terechtzitting van 29 juli 2010, gehouden in het psychiatrisch ziekenhuis, gehoord over het verzoek.
Betrokkene heeft toen onder meer verteld dat hij het niet leuk vindt in Veenhuizen. Volgens hem is er niks aan de hand en heeft hij alles op een rijtje. Betrokkene wil terug naar Amsterdam, de boel op een rijtje zetten en de touwtjes oppakken. Hij heeft zijn uitkering alvast geregeld.
Zijn advocaat heeft verzocht het verzoek af te wijzen gezien het feit dat betrokkene zelf initiatieven neemt met betrekking tot het zoeken van onderdak in Amsterdam. Hij kent, zo stelt de advocaat, daar alles en met het gevaar zal het naar haar mening wel meevallen.
De rechtbank heeft zich, alvorens te beslissen op het verzoek, nog doen voorlichten door mw. J. Looijenga, behandelcoordinator en mw. T. Stolte, persoonlijk begeleider.
Van het horen door en de voorlichting aan de rechtbank is proces-verbaal opgemaakt door de griffier.
Overwegingen
Artikel 15, eerste lid, van de Wet Bopz bepaalt -voor zover hier van belang- dat de rechter op verzoek van de officier van justitie met betrekking tot een persoon, die ingevolge een voorlopige machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, een machtiging tot voortgezet verblijf kan verlenen als er naar het oordeel van de rechter sprake van is dat:
a. de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens die betrokkene gevaar doet veroorzaken ook na verloop van de geldigheidsduur van de voorlopige machtiging aanwezig zal zijn, en
b. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend, en
c. de betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot voortzetting van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis op vrijwillige basis.
Hierbij wordt onder gevaar verstaan:
1°. gevaar voor betrokkene zelf, onder meer:
a. dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat; of
b. dat betrokkene zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen; of
c. dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen.
De rechtbank heeft op grond van de overgelegde stukken en gehoord de standpunten en mededelingen ter zitting geen reden om de inhoud van de geneeskundige verklaring onjuist te achten of daaraan te twijfelen.
Uit die inhoud leidt de rechtbank af dat er sedert de verstrekking van de voorlopige machtiging geen sprake is van een wezenlijke wijziging in de gezondheidstoestand en situatie van betrokkene.
Bij het einde van de geldigheidsduur van de voorlopige machtiging, is er nog steeds sprake van een gebrekkige ontwikkeling/ziekelijke stoornis van de geestvermogens van betrokkene die betrokkene gevaar doet veroorzaken voor betrokkene zelf. Betrokkene is zwakbegaafd en zorgmijdend. De argumenten voor de huidige RM van betrokkene zijn nog steeds van toepassing: grote kans op terugal in alcohol- en cannabisverslaving met grensoverschrijdend gedrag als gevolg. Onder invloed van middelen bestaat het gevaar van het oproepen van agressie door anderen, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Betrokkene heeft geen ziektebesef en –inzicht, heeft een beperkt sociaal inzicht en beperkte cognitieve vermogens en mogelijk een stoornis in het autisme spectrum. Gecombineerd met middelengebruik is de kans op grensoverschrijdend gedrag aanzienlijk.
Dit gevaar kan niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
Namens betrokkene is aangevoerd dat het voor toepassing van de artt. 2 e.v. Wet BOPZ vereiste gevaar afwezig is. Om die reden zou in die visie het verzoek van het OM dienen te worden afgewezen. De Rechtbank constateert evenwel dat zowel uit het dossier als uit het verhandelde ter zitting genoegzaam blijkt dat de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken. Dat gevaar is door de deskundigen, aan wier deskundigheid hieromtrent door de Rechtbank niet wordt getwijfeld, benoemd als zelfverwaarlozing van betrokkene indien hij niet behandeld wordt en de instelling waarin hij thans verblijft, zou verlaten (zie art. 1 lid 1 onder Pro f, sub b en c). Aan het gevaarsvereiste is, anders dan de raadsvrouw meent, naar de mening van de Rechtbank voldaan.
Tevens is door de raadsvrouw gesteld dat het verzoek van het OM dient te worden afgewezen, aangezien betrokkene niet wenst te worden opgenomen en niet wenst te worden behandeld in de instelling waarin hij thans verblijft. Deze omstandigheden kunnen gelet op het bepaalde in art. 2 lid 3 onder Pro a Wet BOPZ, niet leiden tot afwijzen van het verzoek.
Tezamen leidt het voorgaande er toe dat het verzoek wordt toegewezen en dat een machtiging wordt verstrekt voor de duur van een jaar.
Daarbij geldt dat die geldigheidsduur wordt verlengd ingevolge en naar de duur die artikel 48 Wet Pro Bopz toestaat, indien de officier van justitie voor de afloop van voornoemd jaar bij de rechtbank een verzoek indient tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek toe, met dien verstande dat de machtiging heden ingaat en voortduurt tot en met 28 juli 2011.
Gegeven op 29 juli 2010.
de griffier, de rechter,
I.J. Kemkers mr. A.L.J.M.A. Janssens
Tegen deze beschikking staat beroep in cassatie open met inachtneming en volgens de regels van de artikelen 426, 426a en 426b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Verzonden op:
Afschrift aan:
(x) betrokkene
(x) advocaat
(x) inspectie
(x) officier van justitie