ECLI:NL:RBASS:2010:BO6533

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
2 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/750
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a AWBZArt. 9b AWBZArt. 2 Besluit zorgaanspraken AWBZArt. 4 Besluit zorgaanspraken AWBZArt. 5 Besluit zorgaanspraken AWBZ
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling indicatiebesluit AWBZ-zorg voor kind met spina bifida en complexe zorgbehoefte

Eiseres, een kind met spina bifida aperta L2/L3 en bijkomende aandoeningen, heeft bezwaar gemaakt tegen een indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) waarin haar zorgbehoefte is vastgesteld op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Het besluit omvatte ondersteunende begeleiding, persoonlijke verzorging, verpleging en tijdelijk verblijf, met een geldigheidsduur van vijf jaar.

De rechtbank beoordeelde of verweerder voldoende rekening had gehouden met de beperkingen van eiseres bij het vaststellen van de zorgindicatie. De rechtbank concludeerde dat de toegewezen zorg in overeenstemming is met de beleidsregels omtrent gebruikelijke zorg en bovengebruikelijke zorg, waarbij verweerder de gemiddelde zorgbehoefte van kinderen zonder handicap als referentie hanteerde. Ook de toepassing van het leerlinggebonden budget (rugzakje) en de aftrek van zorgminuten voor samenvallende activiteiten werden als correct beoordeeld.

Eiseres voerde aan dat zij meer zorg nodig had vanwege ziekteverzuim, menstruatie en verhoogde zorgfrequentie, maar de rechtbank vond dat deze omstandigheden onvoldoende concreet waren om het indicatiebesluit te wijzigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige indicatiestelling binnen de kaders van de AWBZ en de wettelijke bepalingen omtrent zorgfinanciering.

Uitkomst: Het beroep tegen het indicatiebesluit AWBZ-zorg wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN
Sector Bestuursrecht
Kenmerk: 09/750 AWBZ
Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 2 december 2010.
in het geding tussen
[eiseres], wonende te Assen, eiseres,
en
De Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, namens deze, De Directeur CIZ, verweerder.
I. Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2009 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 23 september 2008 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd. Dit betreft een indicatiebesluit, waarbij eiseres in aanmerking komt voor:
- Ondersteunende Begeleiding algemeen klasse 3 (4-6,9 uur per week)
- Persoonlijke Verzorging klasse 5 (10-12,9 uur per week)
- Verpleging klasse 6 (13-15,9 uur per week)
- Verblijf tijdelijke klasse 1 (1 etmaal per week)
Namens eiseres is bij brief van 14 oktober 2009 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 9 december 2009 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiseres heeft hiervan een afschrift ontvangen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 september 2010, alwaar eiseres is verschenen met haar vertegenwoordiger [vertegenwoordiger], bijgestaan door mr. F.J. Knoops
Voor verweerder is verschenen L.M.R. Kater.
II. Motivering
Feiten en omstandigheden
Op 26 augustus 2008 is namens [eiseres] een aanvraag zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) ingediend bij verweerder. Eiseres heeft spina bifida aperta L2/L3 met een hydrocephalus en een Arnold Chiani Malformatie type II.
Bij brief van 23 september 2008 heeft verweerder een indicatiebesluit genomen.
Eiseres komt in aanmerking voor de volgende zorg:
- Ondersteunende Begeleiding algemeen klasse 3 (4-6,9 uur per week)
- Persoonlijke Verzorging klasse 5 (10-12,9 uur per week)
- Verpleging klasse 6 (13-15,9 uur per week)
- Verblijf tijdelijke klasse 1 (1 etmaal per week)
Er wordt een geldigheidstermijn afgegeven van vijf jaren.
Namens eiseres is hiertegen bezwaar gemaakt bij brief van 24 september 2008. In dit bezwaarschrift wordt aangevoerd dat zij bekend is met een vergelijkbare situatie. Er is sprake van dezelfde lichamelijke en verstandelijke beperkingen, maar er is een aanzienlijk hogere indicatie afgegeven. Eiseres heeft afgezien van de mogelijkheid om haar bezwaar mondeling toe te lichten.
Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Toepasselijke regelgeving
Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.
Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.
Ingevolge artikel 2 van Pro het Zorgindicatiebesluit wordt als vorm van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ onder meer aangewezen de zorg, bedoeld in de artikelen 2 en 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (hierna: Besluit).
Artikel 2 van Pro het Besluit, luidt, voor zover hier van belang:
1.De verzekerde heeft, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, aanspraak op:
a. persoonlijke verzorging als omschreven in artikel 4;
b. verpleging als omschreven in artikel 5;
c. begeleiding als omschreven in artikel 6;
(…)
2.De aanspraak op zorg bestaat slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.
3.Bij ministeriële regeling kan de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid, nader worden geregeld en afhankelijk worden gesteld van daarbij te stellen voorwaarden.
Artikel 4 van Pro het Besluit luidt:
Persoonlijke verzorging omvat het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid, te verlenen door een instelling.
Artikel 5 van Pro het Besluit luidt:
Verpleging omvat verpleging in verband met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een lichamelijke handicap, gericht op herstel of voorkoming van verergering van de aandoening, beperking of handicap, te verlenen door een instelling.
Ingevolge artikel 6 van Pro het Besluit omvat ondersteunende begeleiding ondersteunende activiteiten in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem, gericht op bevordering of behoud van zelfredzaamheid of bevordering van de integratie van de verzekerde in de samenleving, te verlenen door een instelling.
Beoordeling
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder het indicatiebesluit in het kader van de gevraagde zorg op grond van de AWBZ terecht en op goede gronden heeft genomen.
In beroep stelt eiseres dat bij het bepalen van de omvang van de indicatie Ondersteunende Begeleiding (hierna: OB) en Persoonlijke Verzorging (hierna: PV) onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van eiseres. Voorts meent eiseres dat ten onrechte rekening is gehouden met de leerlinggebonden financiering, ook wel rugzakje genoemd. Ook is eiseres van mening dat ten onrechte aftrek in verband met samenvallende activiteiten wordt gehanteerd. Tenslotte is volgens eiseres sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu in een met eiseres vergelijkbaar geval een hogere indicatie is afgegeven.
Verweerder heeft het standpunt van eiseres gemotiveerd bestreden.
De rechtbank overweegt als volgt.
Voor wat betreft het rekening houden met de beperkingen van eiseres
Niet in geschil is dat eiseres beduidend meer zorg nodig heeft dan gezonde kinderen van haar leeftijd. Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van eiseres bij het vaststellen van de OB en de PV.
Ingevolge de beleidsregel Gebruikelijke Zorg dient onder gebruikelijke zorg te worden verstaan de gangbare zorg op basis van een verantwoordelijkheid van huisgenoten voor elkaar en de zorgplicht van ouders voor kinderen. Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders en inwonende kinderen of andere huisgenoten elkaar bepaalde zorg bieden, is de verzekerde niet aangewezen op AWBZ-zorg wat betreft de functies PV en OB.
In casu gaat het om de vraag wat een kind zonder de beperkingen die eiseres heeft in vergelijkbare omstandigheden aan zorg nodig zou hebben. Voor zover sprake is van extra draaglast voor de ouders met een kind met een handicap kan worden gesproken van bovengebruikelijke zorg. Naar vast beleid komt alleen bovengebruikelijke zorg in aanmerking voor vergoeding vanuit de AWBZ.
Ten aanzien van de vraag welke zorg gebruikelijk is voor een kind van dezelfde leeftijdscategorie als eiseres heeft verweerder de bijlage “Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen bij verschillende leeftijden” van de beleidsregel Gebruikelijke Zorg toegepast.
In de bijlage van deze beleidsregel staat het volgende vermeld ten aanzien van kinderen van 5-12 jaar:
- kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school;
- kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;
- hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;
- hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotore ontwikkeling;
- zijn overdag zindelijk en ’s nachts merendeels ook;
- hebben bij hun vrijetijdsbesteding alleen begeleiding nodig in het verkeer wanneer zij van
en naar hun activiteiten gaan;
- hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week;
- sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, ongeveer 2 maal per week.
De rechtbank stelt vast dat verweerder voorts bij de bepaling van de omvang van de indicatie OB en PV alle zorgmomenten heeft meegenomen. Dat wordt als zodanig ook niet betwist door eiseres. Eiseres meent dat zij op grond van enkele concrete omstandigheden recht heeft op meer zorg, namelijk omdat zij vaker ziek is, vaker naar het ziekenhuis moet, omdat zij vaker moet worden herinnerd aan dagelijkse taken en omdat zij meer begeleiding nodig heeft dan alleen in het verkeer. Verder is door eiseres aangevoerd dat zij meer zorg nodig heeft nu zij menstrueert, en dat sprake is van een toename in de frequentie van het darmspoelen.
Ten aanzien van het ziek zijn en het ziekenhuisbezoek is het de rechtbank niet gebleken dat de frequentie dusdanig hoog is dat dit de gebruikelijk zorg overstijgt. Ook bij kinderen zonder handicap wordt immers een grote variatie gezien op deze punten, zonder dat gezegd kan worden dat dit de gebruikelijke zorg van ouders voor hun kind ontstijgt. Evenmin is het de rechtbank gebleken dat er extra begeleiding nodig is ingevolge de AWBZ. Naar het oordeel van de rechtbank zal ook een kind zonder handicaps in de leeftijdscategorie van 5-12 jaar de nodige hulp en begeleiding nodig hebben bij het ondernemen van activiteiten als paardrijden of zwemmen. De rechtbank stelt bovendien vast dat er zorg is geïndiceerd in het kader van aan- en uitkleden bij het zwemmen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden kunnen besluiten dat eiseres op die punten niet in aanmerking komt voor extra zorg. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de indicatiestelling wordt uitgegaan van gemiddelden.
De omstandigheid dat eiseres vaak moet worden herinnerd aan dagelijkse taken is meegenomen bij de indicatiestelling voor het uitvoeren van de dagelijkse bezigheden. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen stellen dat eiseres op dit punt niet in aanmerking komt voor extra zorg.
Gelet op het advies van de CIZ-arts dat de zorghandelingen in verband met de menstruatie kunnen worden meegenomen bij de geïndiceerde zorgmomenten, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiseres in verband met haar menstruatie geen aanspraak kan maken op extra zorgminuten.
Ook heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat de wijziging in de frequentie van het darmspoelen een wijziging betreft ten opzichte van de datum in geding, die om die reden niet in de onderhavige beroepsprocedure kan worden meegenomen, maar waarvoor een nieuwe aanvraag moet worden ingediend.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder thans bij de bepaling van de omvang van de indicatie OB en PV voldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van eiseres.
Ten aanzien van het rugzakje.
Bij wet van 28 november 2002 is de leerlinggebonden financiering geregeld. Hiertoe is een aantal wetten gewijzigd, waaronder de Wet op het primair onderwijs.
Uit de tekst van artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs en de memorie van toelichting daarbij blijkt dat het centraal uitgangspunt bij de leerlinggebonden financiering de keuzevrijheid van ouders is tussen regulier en speciaal onderwijs. Leerlinggebonden financiering heeft tot doel die keuzevrijheid te garanderen. Het rugzakje wordt toegekend aan het bevoegd gezag van de school, welke in beginsel verplicht is het rugzakje te besteden aan zorg die bij een school voor speciaal onderwijs wordt ingekocht.
Eiseres heeft een REC III Sbo indicatie zijnde een leerlinggebonden budget tot toelating tot het speciaal onderwijs voor (meervoudige) lichamelijke en verstandelijke gehandicapte kinderen. Op grond van haar REC indicatie LG Cluster III (LGF) zit er zorg in het rugzakje, namelijk 241 minuten PV en 30 minuten VP in verband met het eenmaal daags katheteriseren tijdens schooluren.
Hoewel eiseres is geïndiceerd voor het speciaal onderwijs, volgt zij regulier onderwijs.
Uit artikel 2, lid 1 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ vloeit voort dat aanspraak bestaat op persoonlijke verzorging en verpleging, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling.
Niet in geschil is dat het rugzakje geldt als wettelijk voorliggende voorziening in de zin van artikel 2, lid 1 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht aftrek heeft toegepast in verband met het rugzakje.
In dat verband heeft eiseres gewezen op een uitspraak van de Centrale Raad van de Beroep (CRvB) van 28 januari 2009, LJN: BH4131, waarin de CRvB heeft vastgesteld dat uitsluitend de hoeveelheid persoonlijke verzorging en verpleging die een verzekerde tijdens schooluren nodig heeft, in mindering kan worden gebracht, en dan nog voorzover deze zorg in het onderwijs ook kan worden geboden. Eiseres is van mening dat hieruit blijkt dat in haar geval aftrek van zorgminuten in verband met het toegekende rugzakje onterecht is toegepast omdat in het reguliere onderwijs uit het rugzakje geen verpleging of persoonlijke verzorging wordt geboden.
Anders dan in de aangehaalde uitspraak heeft verweerder in het onderhavige geval onderzocht welke zorgmomenten vallen binnen de schooluren. Ook is onderscheid gemaakt tussen schoolweken en niet-schoolweken. In het indicatiebesluit heeft verweerder aangegeven hoe de indicatie PV en VP is opgebouwd, en wat dit betekent voor iemand die een indicatie heeft voor cluster III onderwijs maar regulier onderwijs volgt. Verweerder is bovendien nagegaan of die zorg daadwerkelijk kon worden geboden.
Voor de PV tijdens schooluren - aan- en uitkleden in verband met gymlessen - geldt dat deze zorg door de school wordt geboden. Zoals uit het indicatiebesluit blijkt gaat er een stagiaire of klassenassistent mee naar de gymlessen. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden is overgegaan tot het in mindering brengen van 241 zorgminuten tijdens schoolweken.
Voor wat betreft de verpleging tijdens schooluren heeft verweerder geconstateerd dat de clusternorm niet voldoet en dat aanvullende AWBZ-zorg nodig is. In dat verband heeft verweerder berekend dat het katheteriseren 15 zorgminuten per schooldag kost, derhalve 75 minuten per week. Nu het rugzakje slechts voorziet in 30 minuten per week, heeft verweerder aanvullende AWBZ voor 45 minuten per week toegekend. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden is overgegaan tot het in mindering brengen van 30 zorgminuten tijdens schoolweken.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de berekening met betrekking tot schoolweken en niet-schoolweken de rechterlijke toets kan doorstaan, nu verweerder de formule met betrekking tot schoolweken correct heeft toegepast.
Namens eiseres is nog gesteld dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat bij eiseres vaak sprake is van schoolverzuim vanwege ziekte. Nog los van het feit dat door eiseres niet geconcretiseerd is welke gevolgtrekking hieraan zou moeten worden verbonden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder mag uitgaan van de standaard verdeling met betrekking tot het aantal schoolweken, nu het ook hier gaat om gemiddelden.
Voor wat betreft de aftrek in verband met samenvallende activiteiten
De rechtbank is van oordeel dat bij de indicatiestelling de meest efficiënte inzet van de zorg uitgangspunt dient te zijn. Anders dan namens eiseres is gesteld, is derhalve niet van belang of activiteiten daadwerkelijk samenvallen, maar of de activiteiten kunnen samenvallen. Op grond daarvan worden zorgminuten afgetrokken. Gesteld noch gebleken is dat verweerder deze berekening niet juist heeft uitgevoerd. Wel heeft eiseres gesteld dat de berekeningen niet transparant zijn. De rechtbank volgt eiseres hierin niet, nu de berekening is uitgevoerd conform de indicatiewijzer.
Voor wat betreft het gelijkheidsbeginsel
De rechtbank overweegt allereerst dat namens verweerder ter zitting is aangegeven dat in een vergelijkbaar geval inderdaad een hogere indicatie is afgegeven, maar dat het betreffende indicatiebesluit van 22 september 2008 foutief is afgegeven. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres daaraan geen aanspraak op een hogere indicatie kan ontlenen.
Gelet op het vorenoverwogene verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M.M. Oostdam, rechter, bijgestaan door mr. H.E. Melissen, griffier.
mr. H.E. Melissen mr. C.M.M. Oostdam
In het openbaar uitgesproken op 2 december 2010.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.
Afschrift verzonden op: