ECLI:NL:RBASS:2010:BO8453

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
14 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
83730
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awbartikel 15 Definitierichtlijn
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid in vreemdelingenzaak

In deze zaak heeft een Iraakse vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Spijkstra, tijdens de zitting op 10 december 2010 een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter. Verzoeker stelde dat hij onvoldoende gelegenheid kreeg om zijn standpunten, met name over artikel 15 van Pro de Definitierichtlijn, toe te lichten. Hij vond dat de rechter de omvang van het geding te beperkt had vastgesteld en hem niet toestond zijn betoog volledig te doen.

De rechtbank heeft het wrakingsverzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de mogelijkheid biedt rechters te wraken bij gegronde vrees voor partijdigheid. De wrakingskamer stelde vast dat de rechter verzoeker wel degelijk gelegenheid heeft gegeven zich uit te laten over de omvang van het geding en dat het beperken van het geschil tot nieuwe feiten en omstandigheden binnen de taak en bevoegdheid van de rechter valt.

De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectieve aanwijzingen zijn voor partijdigheid of de schijn daarvan. De beoordeling van de omvang van het geding behoort tot de rechterlijke bevoegdheid en vormt geen grond voor wraking. Het verzoek werd dan ook afgewezen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN
Nummer: 83730
Beslissing van de meervoudige kamer van deze rechtbank op het mondelinge wrakingsverzoek ingevolge artikel 8:15 en Pro volgende van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:
mr. W. Spijkstra, optredend namens [verzoeker],
verzoeker.
1. Procesverloop
Tijdens de openbare behandeling ter zitting van de rechtbank ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen op 10 december 2010 van het beroep tegen de beschikking van 21 oktober 2010 van [verzoeker] van Iraakse nationaliteit, die is verschenen bij zijn gemachtigde mr. W. Spijkstra, advocaat te Beetsterzwaag en de minister voor Immigratie en Asiel, verschenen bij gemachtigde van mr. M.B.Y. Vet, heeft mr. W. Spijkstra (verzoeker) de behandelend rechter [de rechter] gewraakt.
De rechter heeft hierop de zitting geschorst. Vervolgens heeft de rechter van het wrakingsverzoek een proces-verbaal laten opmaken, waarvan verzoeker een afschrift heeft gekregen.
De rechter heeft de rechtbank laten weten niet in de wraking te berusten en dat zij niet wenst te worden gehoord. De rechter heeft een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend, waarvan verzoeker een afschrift heeft gekregen.
De wrakingskamer heeft het verzoek diezelfde dag op 10 december 2010 ter openbare zitting behandeld, alwaar mr. W. Spijkstra is verschenen. De gemachtigde van verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
2. Overwegingen
Het standpunt van verzoeker
Verzoeker heeft op de zitting aangegeven dat de rechter hem veel te weinig ruimte liet om zijn verhaal te vertellen, terwijl de zitting er juist voor is bedoeld om partijen in de gelegenheid te stellen het ingenomen standpunt nog eens nader mondeling toe te lichten. Verzoeker wilde op de zitting zijn beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn nader toelichten, maar kreeg daarvoor geen kans. Hij kreeg van de rechter telkens opnieuw te horen dat hij zijn betoog moest beperken tot de nieuwe feiten en omstandigheden, terwijl hij het juist over de Definitierichtlijn wilde hebben. De vreemdeling komt immers uit Irak en daar valt veel over te zeggen. Hij heeft dit punt in het beroepschrift genoemd. Over de drie ingebrachte documenten had hij niets naders te zeggen, maar wel over andere onderwerpen waaronder de Definitierichtlijn. Verzoeker vindt het onredelijk dat de rechter al bij voorbaat aangaf waartoe het geschil beperkt was. Hij heeft niet de ruimte gekregen om op de visie van de rechter te reageren. Hij heeft niet kunnen vertellen wat hij wilde vertellen. Hij kreeg te horen dat hij het kort moest houden, terwijl alle zaken eerder ter zitting gigantisch waren uitgelopen, en de behandeling van zijn zaak een uur later dan gepland is aangevangen.
Het standpunt van de rechter
Voor het standpunt van de rechter wordt verwezen naar haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek.
Beoordeling van het verzoek
Ingevolge artikel 8:15 van Pro de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke partijdigheid schade kan lijden.
Uit de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van Pro de Awb (PG Awb II, p. 410) blijkt dat de ratio van het instituut wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter die de zaak behandelt.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter ten aanzien van een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1995, LJN ZD0257).
De wrakingskamer stelt vast dat de rechter verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de omvang van het geding. Voorts stelt de wrakingskamer vast dat de rechter de omvang van het geding heeft vastgesteld en daarbij heeft aangegeven dat de behandeling van het beroep op dit moment daartoe beperkt moet blijven. Gronden die pas bij de zienswijze naar voren zijn gebracht vallen, naar het oordeel van de warkingskamer, buiten de omvang van het geding. Dat de omvang van het geding naar de mening van verzoeker ruimer moest zijn dan door de rechter is bepaald, kan naar het oordeel van de wrakingskamer in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden getoetst. Het bepalen van de omvang van het geding behoort tot de taak en bevoegdheid van de rechter en brengt geen schijn van vooringenomenheid mee.
De wrakingskamer komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er geen grond is voor het aannemen van objectiveerbare partijdigheid of een objectiveerbare schijn van partijdigheid bij de in persoon gewraakte rechter [de rechter]. Op grond van het bovenstaande wijst de wrakingskamer het verzoek tot wraking af.
3. Beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking van [de rechter] af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A. van der Meer, voorzitter, B. I. Klaassens en K. Wentholt, rechters, bijgestaan door mr. M.B.A. Mensink, griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2010.
Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.
afschrift verzonden op: