ECLI:NL:RBASS:2012:BW8468

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
15 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
19.621627-08 (vord.ontn.)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M.J.A. Janssens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 74 lid 2 sub a SrArt. 74 lid 2 sub d SrArt. 74 lid 2 sub f SrArt. 3 Opiumwet
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Politierechter verklaart OM niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering wegens schending procesorde

In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie (OM) een ontnemingsvordering ingediend tegen de verdachte, strekkende tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdachte had in een eerdere fase een transactievoorstel aanvaard, waarbij het OM geen ontnemingsvordering zou indienen na voldoening aan de voorwaarden.

De politierechter overweegt dat het OM destijds bewust heeft afgezien van een ontnemingsvordering als onderdeel van het transactievoorstel, wat het gerechtvaardigde vertrouwen van de verdachte heeft gewekt. Het OM kwam later alsnog terug op dit besluit zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden waren die dit konden rechtvaardigen.

De politierechter concludeert dat het OM hiermee de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft geschonden. Daarom wordt het OM niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdachte is niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door zijn advocaat. De vordering werd door het OM meerdere malen verminderd, maar dat veranderde niets aan het oordeel.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN
Sector Strafrecht
Parketnummer: 19.621627-08
BESLISSING van de politierechter in bovengenoemde rechtbank in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] 1976,
wonende te [adres].
1. Gang van zaken
De officier van justitie heeft ter terechtzitting een ontnemingsvordering ingediend die
ertoe strekt dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door veroordeelde
wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4 van het Wetboek van
Strafrecht, wordt geschat en dat aan veroordeelde de verplichting wordt opgelegd aan de
Staat het geschatte voordeel tot een maximum bedrag van € 24.173,60 te betalen.
Bij brief van 14 maart 2011 heeft de officier van justitie zijn vordering verminderd tot een bedrag van € 22.430,60.
Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen is de veroordeelde niet ter openbare terechtzitting van de politie van 1 juni 2012 verschenen.
Mr. R.J.J. Bosma, advocaat te Spier, de raadsvrouw van veroordeelde, is door deze uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren.
De raadsvrouw van veroordeelde en de officier van justitie zijn gehoord ter terechtzitting van de politierechter van 1 juni 2012, bij welke gelegenheid de officier van justitie zijn vordering heeft verminderd tot een bedrag van € 18.843,19.
2. Motivering
Met betrekking tot de ontnemingsvordering overweegt de politierechter als volgt:
Voorafgaande aan de vraag of de ontnemingsvordering in het onderhavige geval 'zo spoedig mogelijk' is ingediend, ziet de politierechter zich geconfronteerd met het volgende. In de hoofdzaak is door het OM in december 2008 voorgesteld dat de toen verdachte door middel van een transactie vervolging ter zake het opbouwen en onderhouden van een hennepkwekerij kon voorkomen. Hierdoor rijst de vraag of de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen vermogen terecht is ingediend.
De politierechter stelt vast dat het Openbaar Ministerie een transactievoorwaarde ter voorkoming van vervolging als bedoeld in art. 74 lid 2 sub f Sr Pro aan de toen verdachte heeft aangeboden, ter zake van de verdenking van art. 3 Opiumwet Pro. Daarmee moet het voor het Openbaar Ministerie vast hebben gestaan dat na de voldoening van de gestelde voorwaarden, in casu: een werkstraf voor de duur van 76 uren, het geen vordering als bedoeld in art. 36e Sr zou indienen. Uit het stelsel van de wet volgt immers dat een dergelijke vordering slechts kan worden gedaan indien en voor zover degene ten laste van wie zo'n vordering wordt ingediend, door de strafrechter ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld, hetgeen de voldoening aan de door het Openbaar Ministerie gestelde voorwaarde(n) juist beoogt te voorkomen. Hoewel het onderzoek naar het wederrechtelijk verkregen vermogen reeds met voltooiing van het onderzoek in de hoofdzaak was voltooid, heeft het OM toen kennelijk niet overwogen om naast art. 74 lid 2 sub f Sr Pro, tevens art. 74 lid 2 sub a en Pro sub d Sr toe te passen. Verwezen zij naar de in 2008 vigerende Aanwijzing ontneming van het OM (2005 A 002), onderdeel 8.1. Hierin wordt gemeld dat indien het transactieaanbod ook ziet op de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, expliciet in het transactievoorstel moet worden vermeld welk deel van de transactie dient ter ontneming van dat voordeel. Dat is, zoals gezegd, in het onderhavige geval niet gedaan. De politierechter houdt het ervoor dat het Openbaar Ministerie in december 2008, toen het zijn transactievoorstel aan de toen verdachte deed, niet tot ontneming van het door verdachte wederrechtelijk verkregen vermogen heeft besloten.
Indien degene aan wie een transactievoorstel is gedaan, niet geheel of gedeeltelijk de transactievoorwaarden heeft nageleefd, kan het Openbaar Ministerie naar het oordeel van de politierechter alsnog een vordering als bedoeld in art. 36e Sr indienen. In dat geval moet er wel sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden die ten tijde van het oorspronkelijke transactieaanbod nog niet bekend waren en die zouden hebben geleid tot een andere beslissing omtrent het aanbod. In het onderhavige geval is het gedeeltelijk niet voldoen aan de transactievoorwaarden naar het oordeel van de politierechter niet een feit of omstandigheid die het alsnog indienen van een ontnemingsvordering kan rechtvaardigen. Evenmin kan als zodanig gelden het feit dat aan de veroordeelde de diefstal van elektriciteit is tenlastegelegd. Dit feit en de bekennende verklaring van de veroordeelde daarover, waren immers aan het Openbaar Ministerie bekend, nog daargelaten het feit dat uit het ontnemingsverbaal niet blijkt welk aandeel de diefstal van de elektriciteit heeft gehad in de opbouw van het wederrechtelijk verkregen vermogen.
De politierechter is van oordeel dat met de onderhavige handelwijze het Openbaar Ministerie de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft geschonden door na de voorgestelde transactie terug te komen op zijn beslissing alsnog ten laste van de toen verdachte een ontnemingsvordering in te dienen, terwijl uit het dossier en uit het verhandelde ter zitting niet blijkt van nieuwe feiten en omstandigheden die het Openbaar Ministerie ten tijde van het transactievoorstel niet bekend waren. Door terug te komen op het destijds genomen besluit om niet aan de toen verdachte bij wijze van transactievoorwaarde wederrechtelijk verkregen vermogen te ontnemen, schendt het Openbaar Ministerie het gerechtvaardigde vertrouwen dat het bij de toen verdachte heeft gewekt op het moment dat hem het transactievoorstel werd gedaan, namelijk dat geen ontnemingsvordering zou worden ingediend.
De politierechter zal derhalve het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot vaststelling en ontneming van het wederrechtelijk vermogen ten laste van verdachte.
3 Beslissing
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn ontnemingsvordering.
Aldus gegeven door mr. A.L.M.J.A. Janssens, politierechter, in tegenwoordigheid van M. Buwalda, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter op vrijdag 15 juni 2012.