ECLI:NL:RBASS:2012:BW8893

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
15 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
92814/ HA RK 12-59
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 6 EVRMArt. 11 Wahv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek kantonrechter in verkeersboetezaak

Verzoeker heeft bij de rechtbank Assen een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die zijn zaak behandelde. Hij stelde dat de kantonrechter niet onpartijdig was omdat een civielrechtelijke vordering die hij op justitie had niet in de procedure werd betrokken en omdat het Openbaar Ministerie het bezwaar niet inhoudelijk behandelt zonder voorafgaande betaling van de boete.

De kantonrechter berustte niet in het wrakingsverzoek en de rechtbank heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld. Volgens de rechtbank is de kantonrechter te goeder trouw en is er geen sprake van onpartijdigheid of schijn daarvan. De beslissing om de civielrechtelijke vordering niet in de bestuursrechtelijke procedure te betrekken is een procesbeslissing die geen partijdigheid impliceert.

Ook de verplichting om de boete voorafgaand aan de behandeling van het beroep te betalen, zoals voorgeschreven in art. 11 Wahv Pro, doet volgens de rechtbank niets af aan de onpartijdigheid van de kantonrechter. Het wrakingsverzoek is daarom afgewezen en de procedure wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het verzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens ontbreken van onpartijdigheid of schijn daarvan.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ASSEN
Sector civiel recht
zaaknummer / rekestnummer: 92814 / HA RK 12-59
Beschikking van de meervoudige kamer op het verzoek tot wraking ingevolge art. 8:15 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht van 15 juni 2012
in de zaak van
[VERZOEKER],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
verschenen in persoon.
1. De procedure
Verzoeker heeft bij ter zitting d.d. 15 mei 2012 de wraking verzocht van
[de rechter], kantonrechter, in de zaak met nummer 343190 \ MB VERZ 12-45. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt. De rechter heeft bij brief d.d. 15 mei 2012 laten weten niet in de wraking te berusten en geen behoefte te hebben te worden gehoord. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 30 mei 2012.
2. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker legt aan zijn verzoek - samengevat - ten grondslag dat de kantonrechter de vordering die hij heeft op justitie niet in deze procedure betrekt, waardoor hij zich gediscrimineerd voelt. Omdat het bedrag hoger is dan € 25.000,00 is de kantonrechter niet bevoegd daarover te oordelen. Dat moet de arrondissementsrechtbank doen.
Verzoeker heeft daar ter zitting nog aan toegevoegd dat het OM de rechtsgang beïnvloedt doordat het bezwaar niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen als je niet binnen 14 dagen de boete betaalt. Hierdoor is er geen sprake van onpartijdigheid van de kantonrechter.
3. Het standpunt van de kantonrechter
De kantonrechter heeft in haar brief meegedeeld dat zij niet berust in de wraking, omdat de door verzoeker aangevoerde gronden haar daartoe geen aanleiding geven.
4. De beoordeling
4.1. Op grond van art. 8:15 Awb Pro kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.
4.2. De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder r.o. 2 weergegeven leveren naar het oordeel van de wrakingskamer niet een uitzonderlijke omstandigheid op die grond geeft te vrezen dat het de kantonrechter van wie de wraking wordt verzocht aan onpartijdigheid ontbreekt. Evenmin is ten aanzien van verzoeker de schijn van partijdigheid gewekt. De beslissing om de vordering van verzoeker tegen justitie niet te betrekken in de kantonzaak is een processuele beslissing waaruit naar het oordeel van de wrakingskamer geen partijdigheid of de schijn van partijdigheid blijkt. Er is bovendien geen wettelijke grondslag die kan bewerkstelligen dat in het kader van de behandeling van een zaak op grond van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (Wahv) eveneens een civielrechtelijke vordering wordt betrokken.
4.3. Dat verzoeker voorafgaande aan de behandeling van zijn beroep de boete diende te betalen, hetwelk is gebaseerd op art. 11 Wahv Pro, doet aan de onpartijdigheid van de kantonrechter, die dat beroep behandelt, niet af.
4.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de wrakingkamer tot de conclusie dat niet is gebleken van het ontbreken van onpartijdigheid van de kantonrechter. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
1. Wijst het verzoek tot wraking af.
2. Bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
3. Beveelt dat de griffier onverwijlde mededeling van deze beslissing doet aan verzoeker, de rechter [de rechter] en de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Läkamp, mr. H.H.A. Fransen en mr. J.L. Boxum, bijgestaan door mr. A.J. Wassenburg-Hazelhoff, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2012 en door mr. Läkamp en de griffier ondertekend.