ECLI:NL:RBASS:2012:BY3511

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
13 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
19.810466-10 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte en afwijzing ontnemingsvordering wegens gebrek aan bewijs

In deze strafzaak heeft het openbaar ministerie een ontnemingsvordering ingediend tegen de verdachte, met als doel het vaststellen en terugvorderen van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een maximum van €904.721,00. De rechtbank Assen heeft de zaak behandeld in een meervoudige strafkamer waarbij zowel de officier van justitie, de verdachte als diens raadsman zijn gehoord.

Na zorgvuldige beoordeling van het bewijs heeft de rechtbank geoordeeld dat het tenlastegelegde feit waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd niet wettig en overtuigend is bewezen. Hierdoor kon de verdachte niet worden veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.

Als gevolg hiervan heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken en de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie afgewezen. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters, en uitgesproken in een openbare terechtzitting.

De zaak illustreert het belang van voldoende bewijs voor het toewijzen van ontnemingsvorderingen en bevestigt dat bij gebrek aan overtuigend bewijs vrijspraak volgt. De verdachte hoeft derhalve geen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel terug te betalen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken en de ontnemingsvordering is afgewezen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN
Sector strafrecht
Parketnummer: 19.810466-10
BESLISSING van de meervoudige strafkamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
wonende te [woonplaats].
1. Gang van zaken
De officier van justitie heeft een ontnemingsvordering ingediend die ertoe strekt dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4 van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat aan verdachte de verplichting wordt opgelegd aan de Staat het geschatte voordeel tot een maximum bedrag van €.904.721,00 te betalen.
De officier van justitie, mr. M. Kappeyne van de Coppello, de verdachte en de raadsman mr. M. Veldman, zijn gehoord ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 oktober 2012.
2. Motivering
De rechtbank heeft het tenlastegelegde feit, waarop de ontnemingsvordering ziet, niet wettig en overtuigend bewezen verklaard en heeft de verdachte mitsdien daarvan vrijgesproken.
De rechtbank zal derhalve de ontnemingsvordering van de officier van justitie afwijzen.
3. Beslissing
De rechtbank wijst de vordering af.
Aldus gegeven door mr. O.J. Bosker, voorzitter, en mrs. M.C. Fuhler en H. de Wit, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 24 juli 2012, zijnde mr. De Wit buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.