Het beroep op noodweer
Ter terechtzitting is door de verdediging aangevoerd dat verdachte in een noodweersituatie verkeerde. Al lopend is verdachte verzeild geraakt in een opstootje, waarbij bedreigingen en duw- en trekbewegingen hebben plaatsgevonden en waarbij een beweging werd gemaakt alsof er een wapen werd getrokken. De situatie werd door verdachte als zo bedreigend ervaren dat in een flits een onmiddellijke en verdedigende reactie volgde.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, met name uit de video-opnamen van de beveiligingscamera’s die ter plaatse van het delict hingen, dat het slachtoffer niet op verdachte afliep. Bovendien had het slachtoffer zijn handen naast zijn lichaam. Als er al sprake was van fysieke agressie, dan is dit geweest tussen het slachtoffer en L en niet tussen het slachtoffer en verdachte. Wel is gebleken dat er agressieve taal is gesproken. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank geen situatie op, waarin verdachte zich tegen een (dreigend gevaar voor) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf diende te verdedigen.
9. De strafbaarheid van verdachte.
Het beroep op noodweer-excès
Nu verdachte niet in een noodweersituatie heeft verkeerd, moet om die reden het beroep op noodweer-excès reeds falen.
Het beroep op putatief noodweer
Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte abusievelijk in de veronderstelling verkeerde dat hij (met een wapen) werd aangevallen en dat hij meende zich daartegen te moeten verdedigen. Dit verweer is ingegeven door de interpretatie van feiten en omstandigheden, zoals verdachte deze blijkens zijn verhoren bij de politie heeft beleefd en door de bevindingen en conclusies, neergelegd in het psychiatrisch rapport, waaruit blijkt dat er bij verdachte sprake is van een posttraumatisch stress-syndroom. Op grond van feiten en omstandigheden uit het dossier is zonder meer aannemelijk dat verdachte in de veronderstelling verkeerde te handelen ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
De rechtbank is van oordeel dat voor een geslaagd beroep op putatief noodweer verdachte in alle redelijkheid moet hebben kunnen menen, dat hij zich tegen (dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf diende te verdedigen. De feiten en omstandigheden, zoals die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, rechtvaardigen die mening niet. Gelet met name op de video-beelden kan niet geoordeeld worden, dat verdachte redelijkerwijs kon veronderstellen, dat hij dreigde te worden aangevallen dan wel dat hij werd aangevallen.
Nu deze gegronde vrees al niet aanwezig kon zijn, behoeft bespreking van de omstandigheid dat verdachte nog steeds lijdt aan een posttraumatisch stress-syndroom dat de gebeurtenissen van het moment emotioneel versterkt zou kunnen hebben en waardoor verdachte kon menen (met een wapen) te kunnen worden aangevallen, in dit verband geen bespreking meer.
Het psychiatrisch rapport
Verdachte is in 1992 onverwachts en buiten zijn schuld door zijn hoofd geschoten. Tengevolge daarvan heeft hij blijkens het rapport een posttraumatisch stress-syndroom doorgemaakt, hetgeen de avond van het delict blijkbaar gereactiveerd is en hetgeen heeft geleid tot de afweerreactie van verdachte, te weten de trap in het gezicht van het slachtoffer.
Voor zover de raadsman met zijn beroep op verdachtes verschoonbare dwaling ten aanzien van de aanranding van zijn lijf bedoelt te stellen dat er afwezigheid van alle schuld is, gaat ook dit beroep niet op. Niet gebleken is immers dat het posttraumatisch stress-syndroom van zodanige aard is geweest, dat verdachte niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan.
Het rapport heeft als conclusie dat het feit aan verdachte kan worden toegerekend.
De rechtbank neemt deze conclusie over.
Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.