ECLI:NL:RBBRE:2001:AD3477
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.M. Callemeijn
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van meerinkomen en boete bij studiefinanciering in relatie tot forfaitaire arbeidsongeschiktheidsaftrek
Eiser betwistte de vaststelling van meerinkomen in 1996 omdat verweerster geen rekening hield met een forfaitaire arbeidsongeschiktheidsaftrek van f. 899,-. De rechtbank volgt de lijn van het College van beroep studiefinanciering dat deze aftrek niet als verwervingskosten kan worden aangemerkt en derhalve niet in mindering gebracht kan worden op het toetsingsinkomen.
Verweerster had aanvankelijk een boete van f. 3.600,- opgelegd, die na bezwaar en beroep werd verlaagd tot f. 930,40, berekend over de maanden januari tot en met oktober 1996 waarin eiser een OV-studentenkaart bezat. Eiser stelde dat hij deze kaart vanwege zijn lichamelijke handicap niet kon gebruiken, maar slechts in bezit had voor controle door het GAK.
De rechtbank oordeelt dat het feitelijk bezit van de OV-kaart het criterium is voor de boeteberekening en dat de boete niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, mede omdat eiser voorzienbaar was dat zijn uitkering boven het toetsingsinkomen zou uitkomen en hij zijn studiefinancieringstijdvak kon inkorten om de maatregel te voorkomen.
De rechtbank verklaart het beroep tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 30 mei 2001 ongegrond. Er is geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Het vonnis bevestigt dat de vaststelling van het meerinkomen en de boete in overeenstemming zijn met de wet en algemene rechtsbeginselen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vaststelling van meerinkomen en de opgelegde boete.