ECLI:NL:RBBRE:2001:AD3790
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Scheffers
- Alferink
- De Boorder-Wennekers
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van ontucht met minderjarigen onder zorg verdachte
De rechtbank Breda behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontucht met twee minderjarige meisjes die aan zijn zorg waren toevertrouwd in de periode van 1992 tot 1997. De tenlastelegging omvatte diverse handtastelijkheden zoals aanrakingen over en onder kleding en een enkele zoen.
Tijdens de terechtzitting werd vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en de rechtbank bevoegd was om kennis te nemen van de zaak. De officier van justitie was ontvankelijk in zijn vordering en er waren geen gronden voor schorsing van de vervolging.
De rechtbank oordeelde dat ondanks dat er voldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig was, de verklaringen van de benadeelden onvoldoende overtuigend waren. Diverse deskundigenrapporten gaven geen eenduidig oordeel over de geloofwaardigheid van de aangiften. Getuigenverklaringen waren tegenstrijdig en onvoldoende om tot een veroordeling te komen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Iedere partij draagt haar eigen proceskosten.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontucht met minderjarigen.