ECLI:NL:RBBRE:2002:AE9961
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing bewind wegens aanhoudende alcoholverslaving
Op 22 augustus 2002 verzocht de rechthebbende om opheffing van het bewind dat in 1995 was ingesteld vanwege een alcoholverslaving en bijbehorende schulden. Tijdens de mondelinge behandeling op 24 oktober 2002 gaven de rechthebbende en zijn zussen hun standpunten weer, waarbij de rechthebbende stelde dat zijn alcoholprobleem grotendeels was opgelost en hij meer zakgeld wilde ontvangen. Zijn zussen uitten zorgen over zijn zelfstandigheid en gaven aan geen bewindvoerster te willen worden.
De vertegenwoordiger van de Stichting Beschermingsbewind Meerderjarigen (SBM) gaf aan dat opheffing niet in het belang van de rechthebbende is omdat het risico op nieuwe schulden groot blijft. De kantonrechter overwoog dat hoewel de schulden zijn afgelost, de onderliggende grond voor bewindvoering, namelijk de alcoholverslaving, nog steeds aanwezig is. Uit eigen waarneming en een notitie van de griffiemedewerkster bleek dat de rechthebbende bij het indienen van het verzoek onder invloed was.
Gelet hierop werd het verzoek tot opheffing afgewezen. Wel werd het aanbod van SBM om het zakgeld te verhogen ondersteund en werd toegestaan dat het zakgeld eens per 14 dagen wordt uitgekeerd, zodat de rechthebbende kan aantonen dat hij zijn financiën beter kan beheren. De kantonrechter benadrukte dat een bewindvoerder geen verplichting heeft om contact te onderhouden met familieleden, zeker niet bij professionele organisaties zoals SBM.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen vanwege aanhoudende alcoholverslaving.