ECLI:NL:RBBRE:2002:AE9961

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
29 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
239.279 - OV - 02 - 1680
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing bewind wegens aanhoudende alcoholverslaving

Op 22 augustus 2002 verzocht de rechthebbende om opheffing van het bewind dat in 1995 was ingesteld vanwege een alcoholverslaving en bijbehorende schulden. Tijdens de mondelinge behandeling op 24 oktober 2002 gaven de rechthebbende en zijn zussen hun standpunten weer, waarbij de rechthebbende stelde dat zijn alcoholprobleem grotendeels was opgelost en hij meer zakgeld wilde ontvangen. Zijn zussen uitten zorgen over zijn zelfstandigheid en gaven aan geen bewindvoerster te willen worden.

De vertegenwoordiger van de Stichting Beschermingsbewind Meerderjarigen (SBM) gaf aan dat opheffing niet in het belang van de rechthebbende is omdat het risico op nieuwe schulden groot blijft. De kantonrechter overwoog dat hoewel de schulden zijn afgelost, de onderliggende grond voor bewindvoering, namelijk de alcoholverslaving, nog steeds aanwezig is. Uit eigen waarneming en een notitie van de griffiemedewerkster bleek dat de rechthebbende bij het indienen van het verzoek onder invloed was.

Gelet hierop werd het verzoek tot opheffing afgewezen. Wel werd het aanbod van SBM om het zakgeld te verhogen ondersteund en werd toegestaan dat het zakgeld eens per 14 dagen wordt uitgekeerd, zodat de rechthebbende kan aantonen dat hij zijn financiën beter kan beheren. De kantonrechter benadrukte dat een bewindvoerder geen verplichting heeft om contact te onderhouden met familieleden, zeker niet bij professionele organisaties zoals SBM.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen vanwege aanhoudende alcoholverslaving.

Uitspraak

Inleiding
Op 22 augustus 2002 is door [naam] (hierna ook te noemen rechthebbende), geboren te [geboortedatum/plaats] en thans wonende te [adres], verzocht om opheffing van het bij beschikking van de kantonrechter te Bergen op Zoom dd. 21 juni 1995 over zijn goederen ingestelde bewind. Rechthebbende is van mening dat hij thans weer in staat is zelf ten volle zijn belangen van vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen.
Dit verzoek is op 24 oktober 2002 mondeling behandeld in aanwezigheid van rechthebbende, zijn zussen, de dames [zussen], en mevrouw P.J.M. Musters, werkzaam bij de Stichting Beschermingsbewind Meerderjarigen, gevestigd te 4661 AA Halsteren aan de Hoofdlaan 8, hierna ook te noemen SBM.
Ter zitting heeft rechthebbende gesteld dat het bewind na 7 jaar eens opgeheven moet worden omdat hij met een zakgeld van fl. 125,-- niet uit de voeten kan. Verder merkt rechthebbende op dat zijn alcoholprobleem inmiddels een heel stuk is opgelost.
[zus] heeft ter zitting verklaard dat het opheffingsverzoek mede is ingegeven door het feit dat er weinig ruimte is voor contacten met SBM voor familieleden; dat het een stuk beter gaat met de geestelijke gesteldheid van rechthebbende; dat rechthebbende elke vorm van hulpverlening om zijn alcoholverslaving op te lossen voortijdig heeft gestaakt; dat rechthebbende haar de voorbije 7 jaar regelmatig heeft benaderd voor een financiële ondersteuning; dat zij geen bewindvoerster wil worden en dat zij niet gelooft dat rechthebbende in staat is om zijn zakgeld over een maand te verdelen indien hij zijn zakgeld maandelijks krijgt. Desondanks zou zij graag een oplossing zien waarbij rechthebbende niet meer iedere week naar SBM moet voor zijn zakgeld.
[zus] stelt dat zij rechthebbende al 2 jaar niet heeft gezien en dat hij weet dat hij bij haar niet aan hoeft te kloppen voor een financiële ondersteuning. Ook zij wenst geen bewindvoerster te worden.
Mevrouw Musters deelt de kantonrechter mede, dat zij van oordeel is dat een opheffing van het bewind niet in het belang van rechthebbende is. Zij verwacht dat rechthebbende binnen afzienbare tijd weer enorm veel schulden zal hebben indien het bewind wordt opgeheven. Nu de schulden van rechthebbende zijn afgelost wil zij wel kijken in hoeverre het mogelijk is om het zakgeld iets te verhogen en nodigt rechthebbende hiervoor uit.
Beoordeling
De kantonrechter overweegt ten aanzien van het opheffingsverzoek het navolgende. Rechthebbende en zijn zussen bevestigen tijdens de mondelinge behandeling, dat rechthebbende in 1995 onder bewind is gesteld toen bleek dat als direct gevolg van een bij rechthebbende bestaand alcoholverslavingsprobleem forse schulden waren ontstaan.
Inmiddels is het schuldenprobleem door toedoen van de aangestelde bewindvoerster opgelost. Rechthebbende denkt kennelijk om die reden zelf zijn financiën te kunnen regelen. Voorts wil rechthebbende beschikken over meer financiële middelen. Dat de schulden inmiddels zijn betaald is positief maar niet relevant bij de beantwoording van de vraag of het onderhavige bewind dient te worden opgeheven.
Doorslaggevend hiervoor is of de grond, die destijds aanleiding was voor het instellen van het bewind, al dan niet is komen te vervallen.
De kantonrechter is van oordeel, dat de onderhavige grond, te weten: alcoholverslaving, nog steeds aanwezig is. De kantonrechter begrijpt uit het verhandelde ter zitting dat rechthebbende er niet in slaagt om op vrijwillige basis structureel iets aan deze verslaving te doen. In dat kader past ook de notitie van de griffiemedewerkster, dat rechthebbende op het moment, dat hij het onderhavige verzoekschrift inleverde, dronken was cq onder invloed was van alcoholische drank. Het is een feit van algemene bekendheid dat jarenlang bovenmatig alcoholgebruik gevolgen heeft voor de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van een persoon. Uit eigen waarneming heeft de kantonrechter kunnen zien, dat dit ook op rechthebbende van toepassing is. De kantonrechter heeft op dit moment geen behoefte aan voorlichting door een (medisch) deskundige op dit punt. Gelet op de bovenstaande zal de kantonrechter het opheffingsverzoek afwijzen.
De kantonrechter wijst op het aanbod van mevrouw Musters om te kijken hoeveel ruimte er is om het zakgeld te verhogen. Voorst deelt de kantonrechter mede dat hij er geen bezwaar tegen heeft indien het zakgeld eens per 14 dagen wordt uitgekeerd. Rechthebbende krijgt op die manier de kans om te bewijzen dat hij meer zelfstandig zijn zakgeld kan beheren.
Ten overvloede deelt de kantonrechter nog mede dat een bewindvoerder geen contacten hoeft te onderhouden met familieleden van rechthebbende. Zeker wanneer sprake is van een professionele organisatie zoals SBM mag van een bewindvoerder niet verwacht worden dat de contacten verder gaan dan die met de rechthebbende en de kantonrechter.
Gelet op vorenstaande zal de kantonrechter beslissen als hierna gemeld.
Beslissing
De kantonrechter:
- wijst het verzoek tot opheffing van de onder bewindstelling af.
Deze beschikking is gegeven te Bergen op Zoom op 29 oktober 2002 door
mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, in tegenwoordigheid van M.P. Verbrugge als griffier.