AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van normaalwaarde CBBS en toekenning WAO-/WAZ-uitkering bij arbeidsongeschiktheid
Eiser, een zelfstandig klusjesman, werd vanaf 1 februari 2002 arbeidsongeschikt verklaard en kreeg een WAO- en WAZ-uitkering toegekend met een mate van 35-45% arbeidsongeschiktheid. Hij stelde beroep in tegen het besluit en betwistte onder meer de toepassing van de normaalwaarden in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), stellende dat deze in strijd zouden zijn met artikel 18.1 WAO omdat ze activiteiten uit het dagelijks leven betreffen in plaats van arbeidsactiviteiten.
De rechtbank oordeelde dat artikel 18.1 WAO ziet op de vergelijking van het verdiende loon in de maatmanfunctie met het nog te verdienen loon gezien beperkingen, terwijl de normaalwaarde betrekking heeft op het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De normaalwaarden in het CBBS zijn gebaseerd op het functioneren van een gezonde beroepsbevolking en zijn niet in strijd met de wet of het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
De medische beoordeling door verzekeringsartsen, ondersteund door arbeidsdeskundigen, concludeerde dat eiser beperkingen heeft die passen binnen de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. De functies die eiser nog kan verrichten zijn passend en de arbeidsdeskundige heeft de signaleringen van het CBBS adequaat beoordeeld. De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde de toekenning van de uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WAO-/WAZ-uitkering met 35-45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.
Uitspraak
02/1811 WAO RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
UITSPRAAK
in de zaak van
A, wonende te B, eiser,
gemachtigde mr. L.A.M. de Groot Heupner
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV Gak te Tilburg), verweerder.
1. Het procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 augustus 2002 (bestreden besluit) inzake zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 21 november 2002 en 17 maart 2003 zijn aanvullende beroepschriften ingezonden.
Verweerder heeft daarop aanvullende rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en van de bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 17 april 2003, waarbij aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. B.H.F. van Beers en H.A.M. Hulshof (bezwaararbeids-deskundige).
2. De beoordeling
2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser is sedert 1987 voor gemiddeld 40 uren per week als zelfstandig klusjesman werkzaam geweest. Voor dat werk is eiser op 2 februari 2001 ongeschikt geworden vanwege nek-, rug-, knie- hand- en armklachten.
Bij primaire besluiten van 27 mei 2002 heeft verweerder eiser met ingang van 1 februari 2002 een WAO- en een WAZ-uitkering toegekend waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35 tot 45%.
Op 10 juni 2002 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Eiser heeft zijn bezwaren tijdens de hoorzitting nader toegelicht.
Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
2.2 Eiser heeft tegen het bestreden besluit, samengevat, aangevoerd dat ten onrechte geen informatie is opgevraagd bij de behandelend sector. Zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zo is de belastbaarheid voor hand- en vingergebruik onjuist vastgesteld en voor de rug- en nekklachten dienen zwaardere beperkingen te worden aangenomen.De geduide functies hebben onvoldoende realiteitswaarde. Hij acht zich met zijn beperkingen niet in staat tot het verrichten van de geduide functies. In alle geduide functies worden namelijk belastingen overschreden waarbij verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom die functies toch geschikt zijn geacht. Eiser acht de FML-methode en het CBBS in strijd met artikel 18, eerste lid, van de WAO. Bij de vaststelling van de normaalwaarde in het CBBS worden ten onrechte activiteiten uit het dagelijkse leven betrokken waarin minder inspanning en meer regelmogelijkheden zijn.
2.3 Arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke gezonde personen met arbeid gewoonlijk verdienen. Van belang is dan ook:
- of eiser medische beperkingen heeft en
- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid inkomsten te verwerven.
2.4 Bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft verweerder gebruik gemaakt van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Het CBBS vervangt het Functie Informatiesysteem (FIS). Het FIS-belastbaarheidspatroon is vervangen door de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De FML is ontwikkeld door uitvoerende verzekeringsartsen, arbeidsdeskundigen en universitaire vakspecialisten. De verzekeringsarts vult de FML niet in indien er geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden.
De FML is ingedeeld in zes rubrieken: 1. persoonlijk functioneren; 2. sociaal functioneren; 3. aanpassing aan omgevingseisen; 4. dynamische handelingen; 5. statische houdingen; en 6. werktijden. Elke rubriek bevat items waarin de normaalwaarden en beperkingen zijn genoemd. De normaalwaarden vertegenwoordigen een niveau van functioneren waartoe een gezond persoon van 16 tot 65 jaar (de beroepsbevolking) minimaal in staat is. De verzekeringsarts kan ten opzichte van de normaalwaarden lichte, matige en sterke beperkingen aangeven.
Nadat de verzekeringsarts de FML heeft ingevuld, vindt er een arbeidskundige beoordeling plaats. De arbeidsdeskundige onderzoekt de resterende verdiencapaciteit van de verzekerde. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het CBBS. Het CBBS bevat een bestand van functies die geanalyseerd zijn door regionaal arbeidsanalisten. De arbeidsanalist onderzoekt de belastingsaspecten die kenmerkend zijn voor de functie en vermeldt deze op de bij de functie behorende belastinglijst. De functie-beschrijvingen zijn geclusterd onder circa 360 SBC-codes. De SBC-codering is de Standaard Beroepen Classificatie 1992 van het Centraal Bureau voor Statistiek. Het systeem signaleert per geselecteerde functie de mogelijke overschrijdingen van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De arbeidsdeskundige vergelijkt die betreffende punten van de FML met de corresponderende belastingitems (gematcht punt) van de geselecteerde functie. Hij beoordeelt of de functie passend is, eventueel na overleg met de verzekeringsarts. Tevens signaleert het systeem de niet-gematchte punten. Dit zijn items op de FML die niet voorkomen op de functiebelastinglijst. Bij een niet-gematcht punt beoordeelt de arbeidsdeskundige steeds aan de hand van de functiebeschrijvingen of de geselecteerde functie passend is. Hij kan daarbij nader overleg hebben met de verzekeringsarts.
2.5 De rechtbank merkt, naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, op dat volgens de beschrijving van het CBBS de normaalwaarde een niveau van functioneren vertegenwoordigt waartoe een gezond persoon van 16 tot 65 jaar (de beroepsbevolking) minimaal in staat is. De normaalwaarde is vastgesteld aan de hand van een analyse van 120.000 belastbaarheidsprofielen. Daartoe zijn de activiteiten van deze populatie met beperkingen in het dagelijks leven onderzocht. De normaalwaarde vertegenwoordigt het minimumniveau aan mogelijkheden waartoe voornoemde populatie in het dagelijks leven nog in staat is. Het referentiepunt wordt derhalve niet bepaald door de mogelijkheden die een betrokkene had voor hij ongeschikt werd, maar door de mate waarin hij ten opzichte van de normaalwaarden beperkingen heeft. De normaalwaarde is in het CBBS - naar de rechtbank begrijpt - min of meer geobjectiveerd en is niet gelijk aan hetgeen voor een betrokkene persoonlijk als normaal geldt. De verzekeringsarts kan ten opzichte van deze normaalwaarden lichte, matige of sterke beperkingen aangeven.
Eisers standpunt dat de methode van de normaalwaarde in strijd is met artikel 18, eerste lid, van de WAO is gebaseerd op de stelling dat bij de vaststelling van de normaalwaarde activiteiten uit het dagelijks leven zijn betrokken. Volgens eiser mogen alleen activiteiten die betrekking hebben op arbeid in de normaalwaarde worden betrokken. Hij leidt dit af uit de definitie van het arbeidsongeschiktheidsbegrip waarin arbeidsongeschikt is degene die niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatste heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
De rechtbank kan eisers standpunt niet onderschrijven. Artikel 18, eerste lid, van de WAO ziet op een vergelijking van hetgeen de betrokkene in de maatmanfunctie verdiende afgezet tegen hetgeen een betrokkene gelet op zijn beperkingen nog met arbeid kan verdienen. De normaalwaarde ziet daarentegen op het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Volgens artikel 3, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten onderzoekt de verzekeringsarts of een betrokkene tengevolge van ziekte of gebrek ongeschikt is tot werken. Daarbij onderzoekt de verzekeringsarts - aldus het tweede lid - of er bij de betrokkene sprake is van een verlies van lichamelijke of psychische structuur of functie die vermindering of verlies van normale gedragingen en activiteiten en van normale sociale rolvervulling tot gevolg heeft. Daarna stelt de verzekeringsarts - aldus het derde lid - vast welke beperkingen betrokkene in zijn functioneren in arbeid ondervindt tengevolge van het verlies of vermindering van vermogens alsmede in welke mate betrokkene belastbaar is voor arbeid. De rechtbank acht de wijze waarop in het CBBS de normaalwaarde is vastgesteld en is aangesloten bij de normale gedragingen en activiteiten in het dagelijks leven van een bepaalde populatie niet in strijd met artikel 18, eerste lid, van de WAO en in lijn met artikel 3 vanPro het Schattingsbesluit.
De rechtbank acht het CBBS ook overigens niet strijdig met de bepalingen van de WAO en het Schattingsbesluit. Evenmin is de rechtbank gebleken dat het CBBS anderszins de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. De rechtbank ziet dan ook geen grond om te oordelen dat verweerder geen gebruik heeft mogen maken van het CBBS als hulpmiddel voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige om de belastbaarheid van een verzekerde en de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid te objectiveren.
2.6 Het bestreden besluit is voor wat betreft het medische oordeel gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts.
De verzekeringsarts heeft eiser onderzocht en het dossier van eiser bestudeerd, waaronder de medische informatie van 13 december 1999, verkregen van internist S. van Veen. Op basis van bovengenoemde onderzoeksactiviteiten heeft de verzekeringsarts de diagnose spondylarthrose, chrondromalacie patellae beiderzijds, emfyseem en neuropathie gesteld en zijn de beperkingen van eiser vastgelegd in de FML van 12 april 2002. In de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapportage zijn de mogelijkheden en beperkingen aan de hand van de probleemanalyse in hun onderlinge samenhang beoordeeld, gemotiveerd en beschreven.
Uit dit rapport en de FML volgt dat er beperkingen bestaan in ondermeer statische houdingen zoals zitten, staan en werken boven schouderhoogte, in dynamische handelingen zoals lopen (tot 1 uur achtereen), hand- en vingergebruik (niet langdurig met grote kracht en verminderde tastzin), reiken en buigen (tot een uur per dag frequent reiken/buigen), duwen/trekken en tillen/dragen (tot 10 kg, soms tot 15 kg) en in de aanpassing aan fysieke omgevingseisen zoals trillingen. Voorts is ondermeer het draaien van de nek en het op en neer gaan van de nek beperkt en dient eiser werkzaam te zijn in een prikkelarme omgeving.
De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van het vorenstaande geconcludeerd dat in het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting geen nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gekomen met betrekking tot de medische situatie van eiser, die aanleiding vormen de medische grondslag van de bestreden beslissing voor onjuist te achten. Bij het vaststellen van de FML is voldoende rekening gehouden met de beperkingen voor het hand- en vingergebruik. In het onderdeel tastzin zijn beperkingen aangenomen die voortkomen uit gevoelsstoornissen. Voorts blijkt nergens uit dat eiser stoornissen heeft in de pen-, bol- en pincetgreep. Terzake van de longen is rekening gehouden met een prikkelarme omgeving, die niet provocerend is voor de longen. Eiser dient het buigen, torderen, en tillen zo veel mogelijk te beperken, incidenteel verder bewegen dan is aangegeven is volgens de bezwaarverzekeringsarts wel mogelijk. Met betrekking tot eisers opmerking in beroep dat geen medische informatie is opgevraagd heeft de bezwaarverzekerings-arts op 2 december 2002 gereageerd door mede te delen dat wanneer eiser niet onder behandeling is van een longarts er geen andere informatie verkregen zal worden dan reeds bekend is. Ter zitting heeft de bezwaararbeidsdeskundige Hulshof de opmerking van de verzekeringsarts dat eiser niet goed achterom kan kijken nader toegelicht door te stellen dat van achterom kijken pas sprake is bij het draaien van het hoofd van meer dan 90° en dat van laag frequent torderen nog sprake is bij 60°. Met betrekking tot de term frequent reiken is aangegeven dat daarmee wordt bedoeld ongeveer 20x per minuut.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij eiser niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch oordeel van de verzekeringsartsen voldoende onderbouwd.
Eiser heeft voorts geen informatie overgelegd die aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding tot het benoemen van een onafhankelijk deskundige zoals ter zitting namens eiser is verzocht.
2.7 Volgens de arbeidsdeskundige is eiser, gelet op de vastgestelde medische beperkingen, geschikt voor het verrichten van passende arbeid. In de arbeidsmogelijkhedenlijst van 26 april 2002 zijn functies genoemd die volgens de arbeidsdeskundige moeten worden beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid waartoe eiser met zijn krachten en bekwaamheden nog in staat is.
De arbeidsdeskundige heeft voor de bepaling van de restverdiencapaciteit van eiser in aanmerking genomen de drie in de arbeidsmogelijkhedenlijst vermelde functies van samensteller (Sbc-code 264140), bestelauto-chauffeur (Sbc-code 282100) en chauffeur personenbusje/directiechauffeur (Sbc-code 282160). Die functies vertegenwoordigen respectievelijk 10, 8 en 40 arbeidsplaatsen. Vergelijking van de loonwaarde die eiser in de middelste van die functies zou kunnen verdienen met het van het laatst verrichte werk als zelfstandige met een klusjesbedrijf herleide inkomen, levert volgens de arbeidsdeskundige een verlies aan verdienvermogen op van 41,31%.
2.8 De rechtbank stelt zich op het standpunt dat het duiden van functies toetsbaar moet zijn. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat door de arbeidsdeskundige, al dan niet na overleg met de verzekeringsarts, inzichtelijk dient te worden gemaakt waarom de geduide functies voor een verzekerde als passend kunnen worden beschouwd. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de arbeidsdeskundige bijzondere aandacht dient te besteden aan de signaleringen die het CBBS geeft ten aanzien van mogelijke overschrijdingen van de functionele mogelijkheden van een verzekerde ten opzichte van de in de functie gevraagde belasting en aan de signaleringen van de niet-gematchte punten. De beweegredenen van een arbeidsdeskundige om een functie (ondanks signaleringen) te accepteren dienen inzichtelijk zijn.
Daargelaten dat de bovengenoemde signaleringen niet in de gedingstukken worden vermeld, zoals voorheen in het FIS ten aanzien van (schijnbare) overschrijdingen middels asterisken (*) het geval was, blijkt uit het dossier wel dat door de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige bijzondere aandacht aan deze signaleringen is besteed. De beweegredenen van de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts om de geduide functies ondanks deze signaleringen passend te achten, zijn beschreven in de rapportage ‘overleg va - ad - afwijkende functiebelasting van 26 april 2002’.
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende afgeleid kan worden waarom de geduide functies voor eiser passend zijn aangezien de belastingen van de geduide functies vallen binnen eisers beperkingen. De arbeidsdeskundige heeft voorts met de verzekeringsarts over enkele belastingonderdelen overleg gevoerd vanwege vermeende geringe overschrijdingen van de belastbaarheid. De resultaten van dit overleg zijn neergelegd in gedingstuk B.20. De rechtbank kan zich vinden in het oordeel van de verzekeringsarts dat de belastbaarheid in de geduide functies niet wordt overschreden nu rekening gehouden is en moet worden met de mate, duur en frequentie waarin een belasting voorkomt.
Eiser heeft opgemerkt dat hij de geduide functies van chauffeur niet kan verrichten omdat hij, vanwege het beperkt gebruik van de nek, een gevaar op de weg zal zijn. In reactie hierop heeft de verzekeringsarts medegedeeld dat eiser niet beperkt is in het opzij kijken, doch alleen moeite zal hebben met achterom kijken zoals voorkomt bij achteruit rijden. Eiser zal daarbij meer gebruik van spiegels moeten maken. De rechtbank verwijst voor een nadere beschouwing omtrent het achterom kijken naar punt 2.6 van deze uitspraak. Het ondersteunen en eventueel opvangen, van personen die hun evenwicht verliezen zal eiser kunnen leren. Met eisers energetische beperkingen is bij het duiden van de functies voldoende rekening gehouden.
De rechtbank is met de nadere toelichting van de bezwaarverzekeringsarts, en de bevestiging daarvan ter zitting door de bezwaararbeidsdeskundige, tezamen met de gegeven beschrijving van de belastingen in de functiebeschrijvingen tot de overtuiging gekomen dat de totale belasting binnen de belastbaarheid van eiser blijft.
De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder op goede gronden de onder punt 2.7 genoemde functies heeft geduid. Van strijd met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten of het Besluit uurloonschatting 1999 is de rechtbank niet gebleken.
2.9 In beroep is aangevoerd dat eiser als (medische) afzakker dient te worden beschouwd omdat hij in de loop der tijd minder uren is gaan werken, danwel de gewerkte uren minder productief heeft kunnen maken. De rechtbank merkt voorts op dat, zo blijkt uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, als afzakker moet worden beschouwd personen die onder invloed van hun handicap langzamerhand (ander) werk gaan doen dat minder loonwaarde heeft dan het werk waarin ze nog gezond waren. In dat geval dient als maatmanarbeid c.q. maatmanloon te worden genomen het loon van de gelijksoortige gezonde. De rechtbank heeft uit de ter beschikking staande stukken niet kunnen afleiden dat eiser eerder langdurig medische klachten had die mogelijk van invloed zijn geweest op zijn bedrijfsresultaten. Uit de gegevens met betrekking tot de bedrijfsresultaten blijkt dat deze door de jaren heen nagenoeg gelijk zijn gebleven en dat de winst over 2000 zelfs is toegenomen ten opzichte van de voorgaande jaren. Uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding is eiser als een medische afzakker te beschouwen en het maatmanloon te herzien.
2.10 Gezien het vorenstaande heeft verweerder bij het bestreden besluit de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 februari 2002 juist gewaardeerd met een indeling in de klasse van 35 tot 45%. Dit betekent dat eiser per die datum in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar genoemde mate van arbeidsongeschiktheid.
Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
2.11 Gezien de ongegrondverklaring van het beroep, is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.
3. De beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J.M. Volkers, rechter, en in aanwezigheid van A.E.M. van Holsteijn, griffier, in het openbaar uitgesproken op
Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.