ECLI:NL:RBBRE:2004:AO5743
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rouwen
- Alferink
- Pick
- Rechtspraak.nl
Verzoek opheffing terbeschikkingstelling afgewezen wegens ontbreken rechtsgrond
De rechtbank Breda behandelde het verzoek van een terbeschikkinggestelde tot opheffing van zijn terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging. De officier van justitie betoogde dat de rechtbank niet bevoegd was, omdat het gerechtshof Arnhem de laatst geldige verlenging van de TBS had verleend en het verzoek bij het hof diende te worden ingediend. De rechtbank oordeelde echter dat zij bevoegd was het verzoek te behandelen.
De raadsman van de terbeschikkinggestelde beriep zich op artikel 5 lid 4 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat bepaalt dat iedereen die zijn vrijheid is ontnomen het recht heeft om snel een rechter te laten toetsen of de detentie rechtmatig is. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin is bepaald dat bij detentie op grond van een geestesziekte, zoals bij TBS, binnen redelijke intervallen toetsing door een onafhankelijke rechter moet plaatsvinden.
De rechtbank constateerde dat de TBS van de betrokkene regelmatig en binnen redelijke termijnen werd verlengd en getoetst, onder meer door het gerechtshof Arnhem. Hierdoor was voldaan aan de eisen van artikel 5 EVRM Pro en bood dit artikel geen grond voor het verzoek tot opheffing.
Daarnaast wees de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat de wet voorziet in een regeling waarbij de terbeschikkinggestelde bij de reguliere verlengingszittingen de mogelijkheid heeft om vrijlating te verzoeken. Voor een buitenwettelijke procedure was geen plaats, zodat het verzoek niet ontvankelijk werd verklaard.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de terbeschikkingstelling wordt niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen.