ECLI:NL:RBBRE:2004:AP1752
Rechtbank Breda
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Handhaving non-concurrentiebeding en vergoeding aan ex-werkneemster
De zaak betreft een geschil over de handhaving van een non-concurrentiebeding tussen [eiseres], een voormalige topstyliste en bedrijfsleidster, en haar ex-werkgever [gedaagde]. [Eiseres] wil een nieuwe baan bij een concurrerende kapsalon accepteren, maar vreest overtreding van het beding. Zij stelt dat het beding niet van toepassing is of onredelijk is en vraagt vernietiging of schorsing.
De rechtbank oordeelt dat het beding rechtsgeldig is overeengekomen, aangezien [eiseres] meerderjarig was en het beding schriftelijk is vastgelegd in de arbeidsovereenkomst met de vennootschap van [gedaagde]. Er is geen sprake van onaanvaardbare druk bij ondertekening. Het belang van [gedaagde] bij handhaving is gerechtvaardigd vanwege de persoonlijke relatie tussen klanten en kapsters en de specifieke kniptechnieken.
De rechtbank wijst de primaire en subsidiaire vorderingen van [eiseres] af, maar erkent dat zij door handhaving van het beding in haar arbeidsmobiliteit wordt beperkt en geen inkomen heeft. Daarom veroordeelt zij [gedaagde] tot betaling van een bruto vergoeding van €4.374, verminderd met eventuele uitkeringen, ter compensatie van het inkomensverlies gedurende drie maanden. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het non-concurrentiebeding wordt gehandhaafd, maar werkgever moet een bruto vergoeding van €4.374 betalen wegens inkomensverlies.